Snel zoeken:
Wat betekent 'ongehoorzaam zijn' in dit verband?

Johannes 3:36
Betreft: Jh. 3: 36

Vraag:
Wat betekent 'ongehoorzaam zijn' in dit verband?

Antwoord: (overgenomen uit de Korte Verklaring)
Als tegengestelde van het geloven in de Zoon wordt hier niet genoemd ongelovig, maar ongehoorzaam zijn. Daarmede wordt niet bedoeld ongehoorzaam zijn tegen een van de geboden van des Heren wet voor het zedelijke leven, gelijk bv. 2 Tm. 3: 2.
Het werkwoord ongehoorzaam zijn is in het Nieuwe Testament altijd religieus, niet zedelijk, bepaald om uit te spreken een wilshouding tegenover Christus zelf, gelijk hier, of, dan zeer bepaald en correct het niet willen gehoorzamen aan den eis en den oproep om te geloven, Mk. 1: 15.
Daaraan kan iemand of gehoorzamen zodat hij gelooft, Rm. 1: 5. is dus niet hetzelfde als ongelovig zijn: en nog minder kan hier geloven worden gezien als gehoorzamen aan de geboden Gods; daaraan heeft de Heer hier niet gedacht.
Maar als het antwoord op den eis tot geloven kan het gevolg zijn de houding van het geloof of die van ongeloof.
In de eerste zin van dit vers wordt dat gevolg genoemd, in de tweede de wilshouding, die tot het (niet uitgesproken) gevolg voert en het insluit.
In woorden is de tegenstelling in dit vers dus incompleet; volledig uitgesproken zou zij moeten luiden zo: die de eis tot geloven gehoorzaamt, en dus gelooft...; maar die die geloofseis ongehoorzaam is en dus niet komt tot dat geloof, op hem blijft rusten de toorn van God, omdat hij niet heeft geloofd in de Zoon van God. vs.18.
Zo wordt deze tegenstelling vaak gegeven in het Nieuwe Testament, vgl. Hd.14: 1,2; Hb 3: 18.19; 1 Pt.2: 6.8/
Waarin dus uitgesproken wordt het antwoord van den mens op de centrale betekenis van Christus.
Die geloof -weigerend antwoord, op hem blijft de toorn Gods, die op de gehele van God afgevallen mensheid ligt, Rm.1: 18, en die slechts door gelovig aanvaarden van de verzoening door de Heere Christus weggenomen wordt.
Dit is wel de enige plaats, waar Johannes spreekt van de toorn Gods; maar tegenover de liefde Gods, waarvan hij zo vaak spreekt, 1Jh.4: 8, 16, stelt ook hij de toorn Gods, die blijft.