Snel zoeken:
De vervulling van de belofte

Johannes 20:22
Betreft: Jh 20: 22

Vraag:
Geeft Jh.20: 22 de vervulling van de belofte opgetekend in Jh.14: 16, 17, 26; 15: 26; 16: 7, 13?

Antwoord:
De verklaring van Jh.20: 22 is niet zo eenvoudig, maar het is wel eenvoudig in te zien, dat deze tekst niet de vervulling geeft van de andere genoemde teksten.
Immers, Jh.7: 39 verklaart uitdrukkelijk, dat de Geest er nog niet was
(dat wil zeggen: op aarde was), OMDAT Jezus nog niet verheerlijkt was.
Maar dat niet alleen. Jh.16: 7 zegt, dat de Trooster niet tot de discipelen kon komen als Christus niet van hen weggegaan was.
En in datzelfde vers wordt gezegd, dat de Heer de Geest zal zenden, nadat Hij heengegaan is.
Verder wordt de doop met de Heilige Geest in Hd.1: 5 en het komen van de Geest over de discipelen in Hd.1: 8 als iets nog toekomstigs voorgesteld.
In vervolg daarop beschrijft Hd.2 de komst of uitstorting van de Geest op de Pinksterdag te Jeruzalem.

Maar wat is dan de betekenis van Jh.20: 22?
De zin ervan begint op te lichten als we er Gn.2: 7 naast leggen. In dat vers lezen we hoe God de levensadem in Adam blaast waarop deze een levende ziel wordt. Er is tussen Jh.20: 22 en Gn.2: 7 een parallel. Zoals Adam door de inblazing van God in zijn neusgaten het gewone leven ontving, zo ontvingen de discipelen de Geest als een nieuw levensprincipe.
Hier werd gezien dat Christus als de laatste Adam een levendmakende geest is (1Ko 15: 45).
Deze uitleg wordt gesteund door het feit, dat het lidwoord voor 'Heilige Geest' ontbreekt.Hoewel dat niet altijd het geval is, zo kun je zeggen dat het weglaten van het lidwoord de nadruk legt op het karakter van de zaak.
'Ontvangt Heilige Geest' betekent in dit geval dus niet dat ze de Heilige Geest inwonend ontvingen, want dat gebeurde pas op de Pinksterdag.
Het betekent wel dat de Geest iets bij hen bewerkte, namelijk dat ze het nieuwe leven ontvingen, opstandingsleven dat de Heer na Zijn dood en opstanding verworven had.
De oudtestamentische gelovigen en ook de discipelen tot op dit ogenblik hadden leven uit God, maar ze bezaten dit leven niet als opstandingsleven.
Van dit moment af bezaten ze leven zoals de Heer het bezat, (Jh.10: 18) nadat Hij het in opstandingskracht wederom genomen had.

Daarmee is nog niet alles gezegd.
Aan de woorden 'ontvangt Heilige Geest' gaat namelijk iets vooraf en er volgt iets op.
Er gaat vooraf: 'Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u'.
In verband met deze zending, met deze taak, ontvangen ze 'Heilige Geest'.
Er volgt op 'Wie gij hun zonden kwijt scheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend'.
De discipelen kregen dus een volmacht en een vermogen om zonden kwijt te schelden, of toe te rekenen. Om te onderscheiden hoe ze deze taak moesten verrichten hadden ze de verlichting door de Geest nodig. En ook daarom werd de Geest in hen geblazen.
Dit geeft nog eens meer aan, dat hier niet de nadruk ligt op de inwoning van de Geest, waardoor ons lichaam een tempel van de Heilige Geest wordt
(Hij zal 'in'
u zijn, Jh.14: 17b), maar op de werking van en verlichting door de Geest.