Snel zoeken:
Om welke geheimenissen gaat het in deze verzen en wat heeft de Gemeente daarmee te maken.

EfeziŽrs 1:10
Betreft: Ef 1:10 en Ef 3:5,6

Vraag:
Om welke geheimenissen gaat het in deze verzen en wat heeft de Gemeente daarmee te maken.

Antwoord:
In Ef 1:9 gaat het om de verborgenheid van de wil van God. De vraag is nu wat dat inhoudt, wat wil God? Wel, dat staat in het volgende vers. God wil in de volheid der tijden alles wat in de hemel en op aarde is onder een hoofd, dat is Christus samenvatten. Christus wordt dus het hoofd boven alle dingen. Zo staat het ook in Ef 1: 3.

Vers 11 voegt aan deze verborgenheid nog wat toe, namelijk dat wij in Christus erfgenaam zijn geworden. Anders gezegd: wij zullen met Christus heersen over het ganse heelal. Zo zegt Rm 8:17 dat we erfgenamen van God en medeŽrfgenamen van Christus zijn (vgl. Gl 4:7).
Wij, die tot de Gemeente behoren zijn dus ten nauwste in die verborgenheid begrepen. Dat blijkt b.v. ook uit Ef 1:23 want dat vers zegt niet slechts dat Christus hoofd is van alle dingen, maar dat Hij als hoofd boven alle dingen gegeven is aan de Gemeente, die Zijn lichaam is.
Zoals Adam als hoofd van de aardse schepping gegeven werd aan Eva, zo is Christus als Hoofd boven alles gegeven aan de Gemeente, die dus in Zijn regering delen zal.

En om ons te verzekeren van de waarachtigheid van dat feit heeft God de gelovigen verzegeld met de Heilige Geest van de belofte (zie Ef 1:13).
N.B. De woorden 'ter voorbereiding' in de NBG-vertaling vinden we niet in de Statenvertaling en in andere vertalingen. Ze zijn kennelijk ingevoegd en geven aan het vers een verkeerde betekenis als zouden alle dingen al daadwerkelijk nu onder Christus zijn gebracht.

In Ef 3: 5 is sprake van de verborgenheid van Christus. Uit de woorden in vers 3: 'gelijk ik boven in het kort daarvan schreef' volgt, dat het om dezelfde verborgenheid gaat als waarover in hoofstuk 1 sprake is. De apostel gaat deze verborgenheid nu nader uitwerken.
In het Oude Testament zien we het volk IsraŽl geplaatst boven de volken. Nu zou men kunnen menen, dat de bijzondere plaats, die de gelovigen uit deze bedeling met Christus zullen innemen en in principe nu al innemen, alleen voor Joden bestemd is. Daarbij komt dat de Gemeente in het begin enkel uit Joden bestond. Eerst in AntiochiŽ werd er op ruimer schaal aan heidenen het evangelie verkondigd en de heidenzending begon in feite pas met de zendingsreizen van Paulus. Deze maakt nu hier bekend, dat hij deze zending bedreef als een vervulling van de verborgenheid die God hem bekend gemaakt had, namelijk dat ook de heidenen:
a. medeŽerfgenamen van Christus (en dus ook met de gelovige Joden zijn),
b. medeleden zijn van het lichaam van Christus Jezus. Ook zij hebben deel aan de belofte waarvan de Heilige Geest het onderpand vormt. Ook zij worden verzegeld met de Heilige Geest der liefde.