Snel zoeken:
Het verharden van zijn hart

Exodus 4:21
Betreft: Ex.4: 21

Vraag:
Hoe kan Farao verantwoordelijk gesteld worden voor het verharden van zijn hart, als het God is, die het hart van de koning verhardt?

Antwoord:
Het handelen van God in Zijn voorzienigheid, sluit nooit de verantwoordelijkheid van de mens uit. In Gen.45: 4 lezen we dat Jozef tegen zijn broers zegt: 'Ik ben uw broeder Jozef, DIEN GIJ NAAR EGYPTE VERKOCHT HEBT'. De broers hebben dat dus heel bewust gedaan en werden daarbij gedreven door hun haat tegen hun jongere broer. In vers 8 lezen we echter: 'Dus gij zijt het niet die mij hierheen gezonden hebt, MAAR GOD'. Nu brengt Jozef naar voren, dat God heel de handelwijze van de broers in Zijn voorzienige raad 'verwerkt heeft' (zie ook vers 7; Gn.50: 20 en Ps.105: 17).
Iets dergelijks lezen we ook in Js.10: 5-9. Assur is de roede in de hand van God om het ongehoorzame volk IsraŽl te tuchtigen. Assur doet dus wat God wil. Toch wordt er gezegd: 'Wee Assur' en niet 'Goed zo, Assur'. Waarom wordt dat van Assur gezegd? Het antwoord lezen we in vers 7. Assur trekt namelijk niet op tegen IsraŽl om Gods wil te doen, maar om buit te halen.
Zo is het ook met Farao. God zal het hart van Farao verharden om Zijn macht aan hem te betonen, anderzijds is het echter Farao zelf die niet wil luisteren en die zegt: 'Wie is de Here, dat ik Hem gehoorzamen zou'. We hebben hier te doen met twee kanten van eenzelfde zaak, die we nooit met ons verstand bij elkaar kunnen krijgen. Dat komt eenvoudig omdat wij niet weten wat voorzienigheid betekent. Farao heeft allerlei overwegingen om het volk niet te laten gaan. Dat zijn zijn eigen overwegingen en die bepalen zijn handelwijze. Boven dat alles staat echter God, Die over alles regeert en alle dingen beheerst. Dat doet echter niets af aan de verantwoordelijkheid van Farao. Farao verhardt zijn hart namelijk niet, OMDAT GOD DAT WIL, hij verhardt zijn hart gedreven door zijn hoogmoed en zijn eigenwilligheid.
We kunnen het ook zo zeggen: Eerst verhardt Farao zijn hart, d.w.z. hij staat God niet toe daarin te werken; dan verhardt God het hart van Farao, d.w.z. hij werkt daarin niet meer.