Snel zoeken:
Bloed aan de deurpost?

Exodus 12:13
Betreft: Ex.12: 13

Vraag:
(1)Vaak wordt gesteld, dat iedere IsraŽliet veilig was voor het oordeel van God als er maar bloed aan de deurpost was, ook al zou die IsraŽliet niet al te zeker zijn van zijn redding. Zo is ieder die gelooft in Jezus Christus, zo zegt men, veilig ook al vertrouwt iemand God niet en twijfelt hij aan zijn behoud. Zo iemand is wel veilig, maar hij mist alleen de blijdschap. Maar als wij God niet vertrouwen is er dan wel sprake van 'bloed aan de deurpost'? Die twee zijn toch niet van elkaar te scheiden??
(2) Als een Egyptenaar het bloed aan de deur deed was zijn eerstgeboren zoon dan ook veilig?

Antwoord:
(1) Het is inderdaad zo, dat het woord 'geloven' het begrip 'vertrouwen' inhoudt. We lezen in Hb 11: 6, dat als iemand tot God nadert, hij moet geloven, dat God bestaat en dat Hij een Beloner is van hen, die Hem zoeken.
Wanneer er dan ook totaal geen sprake is van vertrouwen in God dan kan men - in geestelijke zin op ons toegepast - niet zeggen, dat er 'bloed aan de deurpost is'.
Er zijn echter variaties in de geloofsbeleving, die je niet als wantrouwen aan God bestempelen kunt. Denk aan de vader van de maanzieke knaap, die zei: 'Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp' (Mk 9: 24). Het kan zijn, dat iemand niet twijfelt aan Gods macht en ook niet aan Gods barmhartigheid in het algemeen, maar dat hij zich wel afvraagt of die barmhartigheid hem wel geldt. Zo iemand ziet op zichzelf, erkent eigen onwaardigheid, smeekt om genade, maar durft het niet aan te nemen dat nu ook alles in orde is. Welnu, van zulke mensen geldt dat ze wel het bloed aan de deurpost hebben, maar dat ze toch nog leven tussen hoop en vrees. Ze zijn wel behouden, maar ze missen de blijdschap. Zulke mensen heeft men dan op het oog en niet zij, die God wantrouwen. Het gaat om mensen, die wel willen geloven, ja graag zouden willen geloven dat het allemaal in orde is, maar die op zichzelf zien en dan vrezen en twijfelen.

(2) Hierboven is de toepassing van dit vers op onze geestelijke situatie gemaakt. Voor IsraŽl gold uitsluitend de vraag of het bloed aan de deurpost was of niet. Over de gevoelens van de bewoners wordt niets gezegd. Ten aanzien daarvan wordt geen voorwaarde gesteld. De gevolgtrekking kan dan ook moeilijk anders zijn, dan dat in een Egyptisch huis ook de verderfengel voorbij ging als er bloed aan de deurpost was. Hoogstens zou men een beperking kunnen vinden in vers 13 waar het 'u' slaat op de IsraŽlieten, maar het lijkt toch niet waarschijnlijk dat God de eerstgeboren zoon in een Egyptisch huis met bloed aan de deurpost zou slaan. Bleek bij een Egyptenaar als hij dat deed niet juist dat hij God eerde?!