Snel zoeken:
Hoe moeten we ons de pijniging in de hel voorstellen?

Openbaringen 14:11
Betreft: Openb. 14:11 en 20:10

Vraag: Hoe moeten we ons de pijniging in de hel voorstellen? Is het een lichamelijke kwelling of een geestelijke? Pijnigen de verlorenen elkaar of zijn er 'kwelduivels'?

Antwoord:
Het is geen vreugde om over de hel te moeten schrijven, maar de Bijbel spreekt nu eenmaal over deze verschrikkelijke plaats, die eigenlijk niet voor mensen bedoeld is. We lezen namelijk in Matt. 25:41 dat het eeuwige vuur voor de duivel en zijn engelen bereid is. Daar wordt niet gesproken over 'bereid voor mensen', hoewel er helaas wel mensen in zullen komen, zoals dit vers ook zegt. Wat de toestand van de verlorenen betreft geldt:
- Dat ze dus verkeren in het gezelschap van de duivel en zijn handlangers. Dat gezelschap op zich zelf moet een verschrikking zijn;
- Verder is er sprake van het eeuwig vuur en vuur spreekt van oordeel, een eeuwig oordeel;
- Een andere tekst noemt de hel een plaats van buitenste duisternis (Matt. 22:13). Dat betekent dat er geen licht is. God is licht. Er is dus geen enkele gemeenschap met God de bron van het licht. Geestelijke duisternis omgeeft de verlorenen. Geen hoop, geen uitzicht;
- In Matt. 22:13 wordt ook gesproken over 'geween' en 'tandengeknars' net als in Matt. 13:50. Dat doelt op verdriet en op wroeging over het feit dat men gered had kunnen worden;
- in Mk 9: 48 wordt getuigd dat van de verlorenen 'hun worm' niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt. De worm spreekt w.s. ook van wroeging, een onophoudelijke wroeging dus. En het oordeel houdt niet op, het vuur wordt niet uitgeblust. Anders gezegd: het is een altijddurende, ongelukkige toestand. Het niet sterven van de worm kan ook zien op de voortduring van het verderf.
- in Openb. 14:11 lezen we over de rook van hun pijniging en het feit dat de verlorenen dag noch nacht rust hebben (zie ook 20:11). We moeten dat meer geestelijk (of uitsluitend geestelijk) dan lichamelijk opvatten. Innerlijke en uiterlijke rust ontbreekt.


Over kwelduivels en kwelling van de duivel spreekt de Schrift niet in direkte zin. We kunnen (zie boven) wel stellen dat het gezelschap van de duivel op zichzelf niet aangenaam zal zijn en een kwelling voor het gemoed. Bij pijniging zullen we - zoals gezegd - aan geestelijke wroeging moeten denken. Van een elkaar pijnigen wordt niets gezegd, dus dat moeten we er niet bij inbrengen. En verblijf zonder God met wroeging in het hart, in het gezelschap van de duivel is al erg genoeg. Het denken aan het lot van de verlorenen moet in deze tijd van genade ons ertoe brengen om de verkondiging van het evangelie te bevorderen! !