Snel zoeken:
Graag een nadere verklaring over het tijdelijk aspect van het bezit van het eeuwig leven?

1-Johannes 3:15
Betreft: 1 Joh. 3:15

Vraag: Graag een nadere verklaring over het tijdelijk aspect van het bezit van het eeuwig leven?

Antwoord:
Het eeuwig leven is het leven van God en van Christus en dat bestaat van eeuwigheid tot eeuwigheid, omdat God de eeuwige is. Er is geen begin aan zijn bestaan en geen einde.
Het eeuwige leven zelf heeft dus geen begin en geen einde. In de gelovige heeft het eeuwige leven echter wel een begin. Voordat de mens tot geloof komt, bezit hij dat leven niet en nadat hij tot geloof gekomen is bezit hij het wel. Hij ontvangt het eeuwige leven namelijk op het moment dat hij tot geloof komt. De wedergeboorte houdt in dat we op dat moment het nieuwe, het eeuwige leven ontvangen.

Uit 1 Joh. 3:15 zou je de konklusie kunnen trekken, dat een moordenaar wel het eeuwige leven ontvangen heeft, maar het kwijtraakt als hij zich als een moordenaar ontpopt. Het eeuwig leven zou in hem dus een begin, maar ook een eind hebben. Hij zou het dus 'tijdelijk' hebben. Zo is deze tekst echter niet bedoeld. Het woord 'blijven' heeft bij Johannes vaak de betekenis van verblijven of wonen. De tekst zegt dat in een moordenaar het eeuwige leven niet verblijft. Hij heeft het niet wonend in zich. Anders gezegd: hij heeft het eeuwig leven niet en hij heeft het ook nooit gehad.
Bij Johannes gaat het om de vraag of iets reŽel is, of het echt is. Als iemand zegt een gelovige te zijn, dan zou je oppervlakkig oordelend, kunnen menen, dat hij het eeuwige leven heeft. Maar als hij zijn broeder haat, dan heeft hij het leven niet echt. Dan is het ook geen gelovige geweest. Vergelijk hiermee 1 Joh. 2:19.
We moeten goed letten op de tegenstelling met vers 14. Als iemand de broeders liefheeft dan is hij overgegaan uit de dood in het leven. Als iemand de broeders niet liefheeft dan blijft hij in de dood. Dit laatste wordt nu verder uitgewerkt in vers 15. Als iemand de broeders namelijk niet liefheeft, maar ze haat dan staat hij gelijk met een mensenmoordenaar. Dan heeft hij het eeuwige leven niet, ook al doet hij zich schijnheilig erg vroom voor.
Het gaat er Johannes niet om, dat iemand de broeders soms meer of minder liefheeft, of dat men soms in een opwelling van boosheid een tijdje in onmin met een bepaalde broeder leeft. Nee, het gaat hem erom dat iemand de broederliefde totaal niet kent. Johannes onderscheidt maar twee mogelijkheden: je hebt de broeders lief of je haat ze. Hierbij moeten we denken aan KaÔn, die in vers 12 vermeld wordt. Hij haatte zijn broer en kwam daadwerkelijk tot doodslag.
We mogen uit de tekst zoals die er staat dus niet een logische konklusie trekken en zeggen: een moordenaar heeft het leven niet blijvend, maar dus wel gedurende een tijdje. Nee, hij heeft het helemaal niet. Het verblijft, het woont niet in hem.
Ps. 19:14 helpt ons om de fout van het trekken van zulke logische konklusies in te zien. In die tekst bidt David om bewaring voor overmoed en zo zegt hij daarop: 'dan ben ik onberispelijk en vrij van grove overtreding'. Wij zijn dan geneigd te reageren met: 'dus niet vrij van geringe overtreding'. Zo mogen we echter niet redeneren, want dat is de bedoeling van David niet. Hij heeft immers daarvoor gezegd: 'dan ben ik onberispelijk'. Hij spreekt echter over grove overtreding, omdat daardoor de naam van de Heer schandelijk onteerd wordt. De ernst daarvan staat hem voor de aandacht. Trouwens, als God hem voor grove overtreding bewaart dan wordt hij ook voor de geringere bewaard.

Uit dit vers in 1 Joh. zou nog een foute konklusie getrokken kunnen worden en wel dat alle moordenaars zonder onderscheid verloren gaan. Dat is echter evenmin de bedoeling. Een moordenaar kan tot inkeer komen. Denk maar aan de ene misdadiger op het kruis, die tot inkeer kwam. In MattheŁs en Markus is sprake van rovers, in Lukas worden ze boosdoeners genoemd en Johannes spreekt slechts over 'twee anderen'. Het is echter vrij aannemelijk, dat het roofmoordenaars waren. De ene daarvan kwam tot inkeer en ontving het eeuwige leven.
Van David weten we heel zeker dat hij een moord op zijn geweten had; toch was hij een gelovige. Hij was behouden en bleef behouden. Om zulke personen als de misdadiger op het kruis en als David gaat het Johannes niet. Hij heeft mensen op het oog, die zich niet laten vermurwen en die haat blijven koesteren. Zulke mensen hebben het eeuwige leven niet en gaan verloren.