Snel zoeken:
Maar ik zondig helaas nog wel

1-Johannes 3:6
Betreft: 1 Joh. 3:6, 9; 5:18.

Vraag: Volgens deze teksten zondig je niet meer als je wedergeboren bent. Maar ik zondig helaas nog wel. Ben ik dan niet wedergeboren? Die vraag beangstigt mij!

Antwoord:
Iemand die wedergeboren is, is geen zondaar meer hoewel hij nog wel kan zondigen. We waren zondaars, maar verkeren niet meer in die positie Dit is de leer van Paulus (2 Kor. 5:17; Rom. 6:6; Ef. 4:22-24; Kol. 3:9, 10; Rom. 5:8; 6:17, 18; 6:20; 6:22; 1 Kor. 6:10, 11; Rom. 7:5; 8:9 en let op de verleden tijd in deze teksten).

De apostel Johannes gaat nog verder en zegt, dat hij die uit God geboren is niet meer zondigt. Dit woord mogen we kennelijk niet in volstrekte zin opvatten, want in 1 Joh. 2:1 schrijft hij:
'Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld'.
Hieruit blijkt dat Johannes nog wel degelijk de mogelijkheid onderkent, dat gelovigen kunnen zondigen. Uit het begin en uit het slot van dit citaat blijkt namelijk, dat hij gelovigen op het oog heeft.
De vraag is nu hoe we met teksten als 1 Joh. 3:6 enz. aan moeten. Er zijn twee verklaringen te geven en wel:

a. Als een gelovige zondigt, zondigt niet de wedergeboren mens in hem, maar het vlees dat nog in hem is. Paulus zegt iets dergelijks in Rom. 7:20. 'Indien ik nu datgene doe wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont' (dat neemt onze verantwoordelijkheid voor de daad niet weg, maar wijst de bron aan waar het kwaad vandaan komt).
De nieuwe mens die naar God geschapen is, kan namelijk niet zondigen. Het is het zaad van de wedergeboorte, het zaad Gods dat net zomin het kwade doen kan als dat God zou kunnen liegen. Als we zondigen wordt dat bewerkt door de zonde ofwel het vlees in ons. Het is ermee als met een geŽnte wilde appelboom. De geŽnte loot kan niets anders dan goede appels voortbrengen; als er verkeerde appels voor de dag komen zitten die aan een tak die uit de oude stam gesproten is en die niet is weggekapt.

b. Met niet-zondigen bedoelt Johannes het niet praktizeren van de zonde als levensbeginsel. Het gaat niet om het bedrijven van een enkele zonde door verleiding en onachtzaamheid (zie nog eens 1 Joh. 2:1).
Het volgende voorbeeld zal dit verduidelijken. Van een schaap kunnen we zeggen dat het niet in de drek leeft. We bedoelen dan niet dat een schaap niet eens in de drek kan terechtkomen, maar dat zijn levenssfeer niet de drek is.
Omgekeerd zeggen we van een varken dat het wel in de drek leeft. Het wentelen in het slijk is zijn aard. Dat houdt ook niet in, dat een varken niet eens een keer gewassen kan zijn of op droge grond zou kunnen verkeren. Zijn eigenlijke levenssfeer is echter het slijk.
Zo heeft de wedergeboren mens niet de zonde als levenssfeer, hoewel hij nog wel zondigen kan, maar dan druist dat in tegen zijn (nieuwe) natuur.

Voor beide opvattingen is wat te zeggen want op zichzelf genomen zijn ze allebei waar.