1 Corinthiers 10:04 Was het merendeel van Israël dan wel werkelijk verlost?

Betreft: 1 Ko 10: 5

Vraag:

Was het merendeel van Israël dan wel werkelijk verlost? (meer vragen erbij behandeld, JGF)

Antwoord:

Merendeel verlost? Als volk was Israël verlost uit de aardse macht van de Egyptenaren. Dat betekent niet (a) dat ze allen stuk voor stuk voor eeuwig behouden waren wat de eeuwigheid betreft.
Het merendeel viel in de woestijn omdat ze niet geloofden dat God hen in het land zou brengen. Ze gingen het land niet binnen vanwege dat ongeloof (Hb 3: 19). Dat wil echter niet zeggen (b) dat die hele generatie so-wie-so voor eeuwig verloren was. Zij kunnen zich namelijk van dat ongeloof bekeerd hebben.

Heeft het volk Israël dan God werkelijk geloofd en gedankt? In de les staat dat alleen verloste mensen God werkelijk loven en danken kunnen. Daarbij beschouwen we het volk als een type of voorbeeld van het geestelijk verloste volk van nu, dat voor eeuwig verlost is door Jezus Christus.
Bij de Rode Zee loofden en dankten ze God. Hb 11: 29 zegt dat ze door het geloof door de Rode Zee trokken, maar bij Kades Barnea geloofden ze niet dat God hen in het land zou brengen.
In dit soort teksten over Israël gaat het niet om het eeuwig zaligmakend geloof, maar om geloof ofwel vertrouwen in God op dat moment en voor de zaak waarvoor ze stonden.

Kan je dan het geloof ontvangen, God loven en prijzen en dan ‘vallen’ en ‘vernield’ worden.
Zoals gezegd gaat het bij Israël om het geloof op een zeker moment.Toen Israël geloofde dat God hen door de Rode Zee zou voeren en ze stapten in het ‘pad’ door het water van de Schelfzee, zegende God hen en bracht Hij hen veilig aan de overkant. Toen ze niet geloofden bij Kades Barnea ontvingen ze straf en vielen ze in de woestijn.
Over hun eeuwig behoud wordt in dat verband niets gezegd en dat moeten we dus aan God overlaten.
Er zit echter een geestelijke les in voor ons en die heeft wel met eeuwig behoud te maken.De les voor ons is dat als iemand zegt een christen te zijn, een gelovige, en hij zweert dat geloof af, hij dan door God voor eeuwig getuchtigd wordt, maar….dan is het nooit een echte gelovige geweest, want die gaan niet verloren (Zie Jh 10: 28)

Mogen we deze geschiedenissen wel vergeestelijken? Dat mag zeker. Paulus doet dat bijv. ook met de geschiedenis van Abraham en Hagar en Sara (zie Gl 4). Maar wij moeten dat dan altijd doen als een illustratie van een leer die we in het Nieuwe Testament vinden en oppassen dat we niet aan het ‘fantaseren’ gaan.

Wat is toonaangevend voor onze zaligheid? ‘Het bloed aan de deurpost'(het bloed van Jezus Christus), de ‘doortocht’ (de doop) of onze levenswandel?
Het feit dat Jezus Christus zijn leven voor ons gegeven heeft op het kruis is de basis van ons behoud, maar een mens krijgt daar alleen deel aan door bekering tot God en geloof in Jezus Christus. Het geloof is dan ook zaligmakend, niet onze doop of onze wandel. Maar….echt geloof zal zich uiten in een godvrezende wandel.

Is er toch verschil tussen ‘gelovigen’ en ‘uitverkorenen Gods’. Als we onder geloof het zaligmakend geloof verstaan (en niet het oppervlakkige geloof gegrond op het zien van tekenen e.d.) dan is er geen wezenlijk onderscheid. Er is alleen een verschil in aspect. Bij gelovigen denken we aan onze verantwoordelijkheid om God te geloven, bij uitverkiezing denken we aan wat God met ons voorheeft en uitwerkt. Het gaat dus om twee kanten van dezelfde zaak.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies