Genesis 01:22 Gode zegende

Genesis 1:22

Vraag:

Waarom wordt alleen in deze twee gevallen (Gen.1: 22 en 28), uitgezonderd dan de zegeningen van de zevende dag (Gen.2: 3), van het geschapene gezegd, dat God het zegende?

Antwoord:

De reden moet kennelijk gezocht worden in datgene wat er in beide gevallen op volgt, namelijk ‘weest vruchtbaar en wordt talrijk’. De zegen heeft dus blijkbaar met de voortplanting van mens en dier te maken. Het is moeilijk in te zien wat een zegen van God over licht, firmament of uitspansel, aarde, water e.d. zou inhouden.

Het probleem blijft dan nog waarom het niet staat van de planten (vers 11 en 12). Blijkbaar is hier het woord: ‘dat de aarde voortbrenge’, waarbij vrucht- en zaadgevend gewas geschapen wordt al voldoende voor de voortplanting van bomen en planten.

Ook kunnen we zeggen, dat dieren en mensen levende wezens ofwel zielen genoemd worden en dat de planten dat niet zijn. Dit leven krijgt dan een zegen om zich te vermenigvuldigen.

Een ander probleem, gezien bovenstaande verklaring, is wat de zegen van de zevende dag inhoudt. Kennelijk moeten we eraan denken, dat God die dag ‘heiligt’, d.w.z. een aparte plaats geeft boven de andere dagen. Het zegenen van de zevende dag betekent dan dat God deze dag uitheft boven de andere dagen.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies