2 Corinthiers 12:08 Mogen we tot de Here Jezus bidden?

Betreft : 2 Ko 12:8 (2)

Vraag:

Mogen we tot de Here Jezus bidden? We moeten toch bedenken, dat
a. Hij zelf tot God, zijn Vader bad,
b. Hij ons het Onze Vader heeft geleerd,
c. Hij ons gezegd heeft in Zijn Naam te bidden,
d. Hij de Middelaar is tussen God en mensen,
e. Het voorbeeld van Paulus (2 Ko 12:8) slechts een bijzonder geval is.

Antwoord:

a. De Here (Heer) Jezus bad inderdaad zelf tot God. Hij deed dat toen Hij de afhankelijke positie van Mens hier op aarde innam. Denk aan Fl 2:6-8. Als zodanig is Hij een voorbeeld voor ons, die als afhankelijke mensen hier op aarde leven. Wij mogen vrijmoedig tot God als tot onze Vader bidden. Dit zegt echter niets over de vraag of wij daarnaast niet tot de Heer Jezus mogen bidden.

b. De Heer Jezus heeft, toen Hij op aarde was, Zijn discipelen het Onze Vader geleerd. Maar daarvan geldt hetzelfde als van punt a.

c. De Heer Jezus heeft ons geleerd in Zijn Naam tot de Vader te bidden, maar ook dat sluit een rechtstreeks bidden tot Hemzelf niet uit. Het is niet: het een óf het ander, maar én het een én het ander. Trouwens let op Jh 14:13 waar sprake is van bidden in Zijn Naam. Hoe luidt daar het vervolg van het vers: Niet: ‘de Vader zal het doen’, maar ‘Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt’. Zie ook vers 14.
Er is zo’n volmaakte eenheid tussen de Vader en de Zoon, dat beiden in de verhouding tot ons als een eenheid optreden en wij mogen ons dan ook in dezelfde zin tot de Een of tot de Ander of tot Beiden wenden. We zien die eenheid heel duidelijk uitkomen in 1 Jh 2:28,29.
Wie is namelijk de ‘Hem’ van vers 28? Dat is de Zoon. Wie is echter de ‘Hem’ in de uitdrukking ‘uit Hem geboren’ van vers 29? Dat is God de Vader.
Maar… Johannes geeft dat onderscheid niet aan. Hij spreekt doorlopend van ‘Hem’ en ‘Hij’ en bedoelt er dan eens de Vader mee en dan de Zoon. Hij ziet ze dus als een in wezen.
Hetzelfde merken we op in 1 Jh 3:1,2a in vergelijking met vers 2b en 3. Van belang is hierbij ook 1 Th 3:11,12.
Daar schrijft de apostel Paulus niet: ‘Hij, onze God en Vader bane door de Heer Jezus ons de weg tot u’, maar ‘Hij onze God en Vader, En onze Hert Jezus, bane ons de weg tot U’.
Dit is maar niet een wens, maar een bedewens, het is een gebed, zie het verband met vers 10! Het vervolg is nog duidelijker. Het luidt: ‘en u doe de Heer toenemen’ en niet ‘en u doe God toenemen’. Zo zouden er nog wel meer teksten aan te voeren zijn, die hetzelfde laten zien.

d. Als de gekruisigde, opgestane en daarna verhoogde Mens is Jezus Christus de Middelaar tussen God en mensen. In dit vers staat uitdrukkelijk ‘Er is een God en een Middelaar tussen God en mensen, DE MENS Christus Jezus’ (1 Tm 2:4,5). Hij is echter niet alleen Mens, Hij is ook de Zoon van God. Als de Zoon van God is Hij één met de Vader, als Mens is Hij één met ons. Zie Jh 14:10,11 en 10:30 wat de eenheid van de Vader en de Zoon betreft.

e. Als Paulus op de weg naar Damascus vraagt: ‘Wie zijt Gij, Heer?’ dan hebben we daar met een bijzonder geval te doen. In 2 Ko 12:8 is het echter een gewoon geval. Paulus heeft deze vraag namelijk niet in een visioen, tijdens een gesprek met de Heer gesteld, maar pas later na de ontvangst van de wonderlijke openbaringen.
NADAT hij de doorn in het vlees ontvangen had, heeft hij driemaal de Heer gebeden om daarvan verlost te worden.
Zonder daarvan een wet te maken, denk ik dat we het volgende kunnen stellen: als het gaat om ons onderhoud, bewaring en dergelijke dan zullen we tot God de Vader bidden, maar als het gaat om de dienst en dergelijke dan mogen we bidden tot de Heer Jezus, die het Hoofd van de Gemeente is.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies