321 Dopen, waarom eigenlijk? (21)

Deze artikelenserie over de doop heeft in de jaren 1977 tot 1979 in de Bode des heils gestaan. Het is een serie van 25 artikelen die speciaal geschreven werden voor jonge mensen.

Efeze 4 een steunpilaar?

We hebben gezien, dat de voorstanders van de huisdoop de doop beschouwen als de deur tot het Koninkrijk. Nu menen ze in Efeze 4: 4 6 steun te vinden voor hun opvatting, en daarom gaan we dat gedeelte nader bezien. Volgens hun uitleg worden in deze verzen drie kringen van eenheid aangegeven, waarbij iedere volgende kring ruimer is dan de voorgaande.
De eerste kring is die van de Gemeente, deze wordt bepaald door: ‘Jèn lichaam, èèn Geest, èèn hoop van uw roeping’. De tweede kring wordt aangegeven met de begrippen: ‘èèn Heer, èèn geloof, èèn doop’. Daarbij wordt met de term ‘geloof’ niet het persoonlijk geloof bedoeld, maar de geloofsleer. Dit is dus de sfeer van de belijdenis ofwel de kring van het koninkrijk. Deze kring is wijder dan de vorige, want onder belijders kunnen zich mensen bevinden die wel in naam, maar niet in wezen christen zijn. De derde kring wordt aangegeven door de woorden: ‘èèn God en Vader van allen, die is boven allen en door allen’. Hiermee is dan het terrein van de schepping bedoeld.

Wat zegt het eigenlijk?

Nu is het opmerkelijk, dat er meerdere uitleggers onder ons zijn (en waren) die deze verklaring van Efeze 4: 4 6 geven (gaven) en die toch geen voorstanders van de doop van kinderen zijn (waren).
Want ook al zie je in de tweede kring die van het koninkrijk, dan volgt daar nog helemaal niet uit, dat de doop de deur tot dat rijk zou zijn. En zeker volgt er niet uit, dat je kinderen, die nog niet èèn Heer kunnen aanroepen en nog niet èèn geloof kunnen belijden door de doop in dat rijk zou moeten plaatsen. Het is namelijk zeer inkonsekwent om van de drie elementen van eenheid, die hier genoemd worden er èèn af te zonderen en die ene voldoende te achten om kinderen aan de betreffende sfeer deel te laten krijgen. Deze verzen zeggen dus in dit opzicht niets. Als men de drie elementen: ‘èèn Heer, èèn geloof, èèn doop’ samen neemt om de sfeer van de belijdenis aan te geven, getuigen ze zelfs tegen de kinderdoop.

Gaat het om wijdere sferen?

Men zal wel gemerkt hebben, dat ik met deze drie sferen uitleg niet erg gelukkig ben. Ik wil graag verklaren waarom:

  1. Dit gedeelte begint met een vermaning aan gelovigen om waardig te wandelen in overeenstemming met hun roeping, om elkaar in liefde te verdragen en de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede. De idee van eenheid van belijders en zeker die van eenheid als schepselen valt dus totaal uit de toon. Daar gaat het hier helemaal niet om.
  2. De apostel somt bier zeven ‘elementen’ van eenheid op zonder ze in drie groepen te verdelen en zonder drie sferen te noemen waarop die drie groepen dan betrekking zouden hebben, Dat betekent natuurlijk niet dat wij geen indeling zouden mogen maken, maar het betekent wel, dat de apostel een eventuele indeling niet beklemtoont. Als wij dus wel een indeling maken en daar zulke konsekwenties aan verbinden als de huisdopers doen, dan zitten we wel behoorlijk naast het spoor van de apostel.
  3. Zoals gezegd mogen we (proberen) een indeling te maken. En de indeling in drieën wil ik graag ondersteunen, maar dan alleen om te onderstrepen, dat het om drie aspekten van eenheid van gelovigen gaat.
    De eerste drie elementen: èèn lichaam, èèn Geest, èèn hoop, zien dan op de innerlijke, de geestelijke eenheid. Wij zijn door èèn Geest tot èèn lichaam gedoopt. We zijn met èèn Geest gedrenkt en als geroepenen van God hebben we èèn hoop.
    De tweede drie: èèn Heer, èèn geloof, èèn doop, zien op onze eenheid naar buiten toe, de eenheid in belijdenis. Maar. . . heeft dat dan niet met het koninkrijk te maken? ja zeker, maar de idee, dat dit koninkrijk door ontrouw van de mens en werk van Satan meer omvat dan alleen echte gelovigen mogen we bier niet inbrengen. Dan voeren we een vreemd element in het betoog van de apostel in. Paulus zegt niets meer dan dat zij, die innerlijk èèn zijn, dat ook naar buiten toe zijn wat hun belijdenis betreft.
    Tenslotte wijzen de uitdrukkingen van vers 6 op nog een aspekt van eenheid van de gelovigen, namelijk op de oorsprong van die eenheid. De gelovigen zijn èèn omdat ze kinderen zijn van èèn God en Vader. Eèn oorsprong (‘van allen’), èèn autoriteit (‘boven allen’), èèn werking (‘door allen’), èèn inwoning (‘in allen’). In plaats van de indeling in sferen is er een drievoudig aspekt van eenheid in de Geest, eenheid in de Heer, en eenheid in God de Vader.
  4. De drie sferen indeling loopt stuk op vers 6 en wel om de volgende vier redenen:
  • Het woord ‘Vader’, gebruikt voor God, kan oorsprong betekenen, zoals in de uitdrukking ‘Vader der lichten’ (Jak. 1: 17) en Vader der barmhartigheden’ (2 Kor. 1: 3). Hier is echter sprake van èèn God en Vader van allen’. Daarmee wordt een dubbele betrekking aangeduid en niet twee keer dezelfde. Dat laatste zou toch het geval zijn als bedoeld was ‘Vader van alle mensen’, want die term is vrijwel identiek met ‘God, de Schepper van de mensen’.
  • In Efeze 1: 3 is er sprake van .de God en Vader van onze Here Jezus Christus’.
    Er is dus alle reden om aan te nemen, dat de apostel bier deze zelfde uitdrukking gebruikt voor de gelovigen, die in dezelfde verhouding tot God gebracht zijn, als de Mens Jezus Christus kvas, Daarentegen zou er een volkomen nieuw element in de brief naar voren komen als hier over de God en Vader van alle mensen gesproken zou worden. Daarbij hebben we er ook aan te denken dat in deze brief juist beklemtoond wordt dat we kinderen van God zijn en toegang tot God als tot onze Vader hebben (Efeze 2: 18).
  • Het is niet goed verklaarbaar dat in het begin van vers 6 de sfeer van de schepping zou zijn aangegeven (van allen , ‘boven allen’ en ‘door allen ) en dat dan het slot van het vers (‘in ons allen’) weer de beperktere eerste kring zou aanduiden.
  • Tot overmaat van ramp voor deze uitleg moet gekonstateerd worden, dat het woordje ‘ons’ in diverse handschriften niet voorkomt. De lezing zoals de Statenvertaling en de Voorhoeve-vertaling die hebben is dus niet zeker. De N.B.G. vertaling heeft b.v. voor ‘in allen’ gekozen. Dit woordje ‘ons’ vormt nu uitgerekend de zwaarste pijler van de hele drie sferen uitleg. De voorstanders van deze uitleg hebben dit woord nodig en geven het alle nadruk; bij de andere uitleg daarentegen maakt het weinig uit of er ‘in ons’ staat of niet.

Gemeente en koninkrijk

Ter afsluiting van de bespreking van dit onderdeel, namelijk dat de doop de deur tot het koninkrijk is, wil ik nog wijzen op een kenmerkende trend in de bewijsvoering van de voorstanders van de huisdoop. Zij benadrukken namelijk heel sterk dat het begrip koninkrijk een uitgebreidere sfeer aanduidt dan het begrip gemeente.

Dat er verschil is tussen deze twee is in vorige artikelen al besproken, en dat het koninkrijk in de praktijk meer omvat dan alleen de leden van de gemeente is toen ook naar voren gebracht.

Men krijgt echter de indruk, dat zij die de huisdoop voorstaan dit als een normale zaak beschouwen. Het koninkrijk omvat alle belijders van het christelijk geloof, de gemeente enkel zij die werkelijk bekeerd zijn… onder de belijders kunnen zich nu eenmaal naam christenen bevinden… dus het koninkrijk is ruimer. En dan komt er weer een ‘dus’: dus onze kinderen kunnen wij door de doop een plaats in het koninkrijk geven, daarvoor behoeven ze niet bekeerd te zijn.

Inderdaad is het koninkrijk ruimer… maar hoe komt dat? De gelijkenissen van het koninkrijk der hemelen onthullen ons dat. De gelijkenis van de zaaier in Matth. 13 wordt geen gelijkenis van het koninkrijk genoemd, maar als we hem als zodanig beschouwen, blijkt dat het koninkrijk ontstaat door zaaien: zaaien van het Woord. En dat dit zaad niet overal vrucht draagt, ligt niet aan het zaad, maar aan de bodem waarop het valt. Dat er zaad op de weg valt en weggepikt wordt, dat het verdort of tussen dorens verstikt raakt is een feit, maar dat is toch niet de bedoeling van de zaaier?! En in de tweede plaats: als we dit een gelijkenis van het koninkrijk mogen noemen, dan vormen slechts zij dat koninkrijk, die het Woord horen. Deze gelijkenis laat zich immers niet op zuigelingen, die nog niets met het Woord kunnen doen, toepassen.

De gelijkenis van het onkruid en de tarwe laat nog duidelijker zien hoe het komt dat de sfeer van het koninkrijk niet enkel ware gelovigen omvat. Er is namelijk sprake van mensen, die slapen en van een vijand, die onkruid zaait. Onkruid wel te verstaan, dat in zijn beginstadium precies op tarwe lijkt. Met dat onkruid worden dus geen heidenen of pure ongelovigen bedoeld, maar mensen die voorgeven christenen te zijn. En van hoeveel soorten ‘onderdanen’ is er in het koninkrijk sprake? Slechts van twee: zij die werkelijk zonen van het koninkrijk zijn en zij die zonen van de boze zijn (Matth. 13: 38). Hoe ontstaan deze twee soorten? Door geboorte? Nee. Door een of andere handeling? Nee. Waardoor dan wel? Door zaaien: hetzij van goed zaad, hetzij van onkruid.
Wordt er enig idee gewekt, dat er in het koninkrijk ook nog personen zijn, die een onbewuste, neutrale positie innemen~ Nee.

Hunner is het koninkrijk

Zeker is er sprake van kinderen in verband met het koninkrijk… maar hoe? Op de vraag van de discipelen wie de meeste is in het koninkrijk der hemelen neemt de Heer een klein kind en zegt:
Als gij u niet verandert en wordt als de kinderen, zult gij het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’
en:
‘Een ieder dan die zich zal vernederen, zoals dit kind, die is de meeste in het koninkrijk der hemelen’ (Matth. 18: 3, 41).

Maar de Heer zegt, volgens de lezing van Mattheüs, niet dat dit kind in het koninkrijk geplaatst is. Bovendien spreekt Hij niet over pasgeboren baby’s, maar over ‘kleinen, die in mij geloven’ (vs. 6).
In Mark. 10: 14 en Luk. 18: 16 zegt Hij aangaande kinderen: ‘voor zodanigen is het koninkrijk Gods’, maar ook daaruit blijkt niet, dat de kinderen toen al een plaats in dat rijk hadden. Integendeel, het vers dat volgt doet aan de toekomst denken.

Ik meen te mogen stellen, dat als het gaat over Jngaan in’ het koninkrijk, etc., dit niet ziet op wat er nu gebeurt als een zondaar zich bekeert, maar dat deze uitdrukkingen te maken hebben met de toekomst. Zie bijvoorbeeld:
Matth. 25: 34: ‘Beërft het koninkrijk, dat u bereid is. . .
Mark. 9: 47: ‘Het is beter met èèn oog het koninkrijk Gods in te gaan, dan met twee ogen in de hel van het vuur geworpen te worden’.
Mark. 14: 25: Pie nieuw drinken in het koninkrijk Gods’ (Luk. 22: 18).
Luk. 13: 28: ‘Wanneer gij Abraham en Izaäk en Jakob zult zien en al de profeten in het koninkrijk Gods’.
Hand. 14: 22: ‘Dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods’.
1 Kor. 6: 9, 10; 15: 50: ‘het koninkrijk Gods niet beërven’.

Dit maakt het dus nog te meer spekulatief om het maken van discipelen van het koninkrijk te zien als het binnengaan door een deur. Het is toch wel merkwaardig dat er in de gelijkenissen, die handelen over het koninkrijk in zijn tegenwoordige, voorlopige vorm nooit gesproken wordt over ingaan. Evenmin wordt daarbij het begrip ‘deur’ gehanteerd. Steeds gaat het over de werking van geestelijke beginselen, zoals zaaien van zaad, onkruid, e.d.

Als er in verband met het toebrengen van mensen over een deur gesproken wordt, dan gebruikt de Schrift de uitdrukking: ‘de deur van het geloof (Hand. 14: 27; vgl. Hand. 11: 18! ).
En van de nauwe poort en de smalle weg die ten leven leidt wordt gezegd: ‘weinigen zijn er, die hem vinden’.
Daarnaast is er sprake van een deur in verband met de ingang van het Woord (1 Kor. 16: 9; 2 Kor. 2: 12). Nooit echter wordt er gesproken over de deur van het koninkrijk en de gedachte dat anderen ons deel kunnen geven aan het koninkrijk strijdt met alles wat de Schrift over het koninkrijk zegt!

Waar moeten wij onze kinderen dan plaatsen?

Natuurlijk zal het voorgaande de vraag uitlokken waar we onze kinderen dan wel hebben te plaatsen. Waar behoren ze dan wel bij, als ze (nog) niet bij het koninkrijk horen? Wel, moeten wij gaan uitmaken waar ze bij horen? Als we menen dat dat zo nodig moet, lopen we grote kans te willen spreken waar de Schrift zwijgt.

Dan gaan we precies zo de mist in als een gedeelte van de calvinisten. Willen de huisdopers per sè uitgesproken hebben wat de ‘plaats’ van de kinderen van de gelovigen ‘op aarde’ is, vele calvinisten willen een uitspraak over de innerlijke toestand van onze kleinen. Ze redeneerden als volgt: als kinderen van gelovige ouders jong sterven mogen we pleitend op de verbondsbelofte aannemen dat ze behouden zijn. Maar… dan moeten ze wederom geboren geweest zijn.
Dus: de kinderen van gelovigen zijn wedergeboren. Anderen vonden dat te ver gaan en spraken van ‘houden voor wedergeboren’. Wat een onheilige pennenstrijd heeft dat opgeleverd! En bij dat al ging men met het oog op baby’s spreken over geloof en wedergeboorte, terwijl er bij baby’s van aannemen van het Woord geen sprake kan zijn. De Schrift getuigt immers dat èn geloof èn wedergeboorte met de werking van het Woord te maken hebben. Door alle redenering ging men tenslotte dingen zeggen die finaal tegen de Schrift indruisten.

Welnu, de voorstanders van de huisdoop vervallen in dezelfde fout. Deel uitmaken van het koninkrijk is een kwestie van horen en aanvaarden van het Woord (reëel of oppervlakkig) en nooit kan een uiterlijke handeling als de doop de werking van het Woord vervangen.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies