463 jrg 144, 08-2001 Op stap door het eerste boek van Samuël 08 (1:21-28)

WAT STAAN WIJ AAN DE HEER AF?

Om een zoon gebeden 

Hanna had de Here God om een zoon gebeden en daarbij de gelofte gedaan dat ze dat kind aan de Heer zou afstaan. De hogepriester Eli had haar aangezegd, dat God haar gebed zou verhoren. God doet dat inderdaad. Hij houdt zijn woord, maar Hanna houdt ook haar woord. Natuurlijk staat ze Samuël niet vanaf de eerste dag aan de Heer af, ze moet eerst voor de baby zorgen. Pas als hij zo oud is dat hij haar zorg niet meer nodig heeft, zal ze hem naar de tempel brengen.

Ze gaat dan ook voorlopig niet met haar man Elkana mee op diens jaarlijkse reis naar het huis van God om er het offer te brengen. Ze zegt tegen Elkana dat ze thuisblijft totdat de jongen gespeend is. Dat betekent: totdat ze hem niet meer de borst geeft. Nu deden oosterse vrouwen dat tot aan het vierde of zelfs vijfde jaar, dus veel en veel langer dan bij ons. Elkana stemt met zijn vrouw in en zo heeft Hanna enkele jaren om van haar zoon te genieten, maar ook om hem lichamelijk en ook geestelijk op te voeden en voor te bereiden op het verblijf in de tempel.

In feite doet ze hetzelfde als wat Jochabed deed met de kleine Mozes en daar zit voor ouders een geweldige les in. Beseffen we wel hoe belangrijk het is dat we onze kinderen al heel jong vertellen over God en over de Here Jezus? Wat is het mooi dat er prachtige kinderbijbels en diverse kleuterboekjes zijn die ons daarbij kunnen helpen. Dit is alvast één les die we uit deze geschiedenis kunnen leren.

’Daarom sta ik hem af’
Als het zover is gaat Hanna op naar het huis van de Heer te Silo, en ze heeft Samuël bij zich. Heel typerend staat er dat Samuël nog een kleine jongen is. Als ze bij Eli komt, vertelt ze wie ze is, dat Samuël het kind is waarom ze gebeden heeft en dat de Heer haar gegeven heeft, en ze vervolgt met de woorden: ‘daarom sta ik hem aan de Here af’. En van de kleine Samuël staat: ‘en hij boog zich voor de Here neer’. Zo jong als hij was, had Samuël een besef van de grootheid van God. Dat had zijn moeder hem bijgebracht!

Maar laten we de woorden: ‘ik sta hem af’ eens tot ons laten doordringen. Als moeder een jochie van vier of vijf jaar afstaan om hem voortaan maar eens per jaar te zien, dat is een opoffering! Hanna had het beloofd, maar een geweldige opoffering bleef het. Deze vrouw deed het uit dankbaarheid en voor de Here. Ze gaf iets van zichzelf!!

Offers

Je kunt dit eigenlijk niet lezen zonder je af te vragen wat jezelf voor de Heer over hebt. We lezen in de Schrift dat we God lofoffers mogen brengen (Hb13:15) en ook dat we Hem materiële zaken – geld en goederen – mogen offeren (Hb13:16). Dat laatste valt ons soms echt niet mee. Iemand heeft eens gezegd: ‘Voor een Nederlander is zijn portemonnee het laatste dat bekeerd wordt’! Maar de Bijbel gaat nog verder: in Rm12: 1 staat dat we onze lichamen moeten stellen tot een levende offerande , heilig, voor God welbehaaglijk. Niet met woorden, niet met geld en goederen, maar met heel ons bestaan behoren we God te dienen. 

Zijn we bereid onze tijd op te offeren voor de Heer door bijvoorbeeld een zieke te bezoeken, mee te doen aan evangelisatiewerk of gemeenteopbouw? Hebben we dat over voor Hem? Of besteden we alle aandacht en alle tijd aan ons werk, onze hobby, enzovoorts? Dit is de tweede les die we van Hanna kunnen leren: een stuk van ons leven over te hebben voor de Heer, het af te staan aan Hem!

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies