609 jrg 121, blz. 200 1978 Biblicisme / Letterlijk of figuurlijk?

Br. J. V. te V. vraagt: Hoe kun je precies weten wat je in de Schrift mag vergeestelijken of niet, wat je al of niet letterlijk moet nemen?

Deze vraag betreft een van de moeilijkste kwesties van de Schriftuitleg. Het antwoord valt niet in een paar regels te geven. Vanwege het belang van de zaak wijd ik er dan ook een artikel aan.

Neem wat er staat

In het algemeen kunnen we instemmen met de slagzin die Joh. de Heer vroeger zo beklemtoonde: “Lees wat er staat, neem wat er staat, dan heb je wat er staat”.
Hij gebruikte deze stelregel in zijn strijd tegen de vergeestelijkingstheorie. De aanhangers daarvan ontnamen (en ontnemen) de “onvervulde” profetieën van het oude testament hun letterlijke betekenis en pasten (en passen) ze vergeestelijkt op de Kerk toe. Een dergelijke handelwijze is om drie redenen ongeoorloofd:

1 – Het gaat niet aan het ene deel van de profetie – dat betreffende de komst van de Messias in het vlees – letterlijk te nemen en het andere deel – dat betreffende zijn heerschappij in de toekomst – te vergeestelijken.

2 – Het nieuwe testament vergeestelijkt de oudtestamentische profetieën aangaande stad, land en volk nooit, slechts wordt gezegd dat de roeping van de volken nu al in vervulling is gegaan en dan binnen het kader van de Kerk.

3 – In het nieuwe testament wordt Israël een toekomst toegekend en daarmee wordt de oudtestamentische profetie in verband gebracht (Hand. 3:20, 21; Rom. 11:25-27).

De oproep om te nemen wat er staat is in dit opzicht dan ook terecht.

De nieuwe theologie

Ook ten aanzien van de nieuwe theologie laat zich deze stelregel aanvoeren. De aanhangers daarvan verklaren zeer driest dat we de “Genesis-verhalen” zoals ze die believen te noemen, niet letterlijk hebben te nemen. Het zouden geen verslagen zijn van gebeurtenissen die werkelijk hebben plaatsgevonden, maar slechts verhalen waarin Israël zijn geloof in God beleed. Het gaat alleen om de strekking van de “verhalen” zo verkondigt men.
Hier valt tegen in te brengen dat de Heer Jezus en zijn apostelen op de feitelijkheid van de gebeurtenissen van het oude testament hun leer hebben gebouwd, en hun vermaningen hebben gegeven.

Ten opzichte van het huwelijk zegt de Heer Jezus niet: “Van het begin af is het zo niet geloofd, voorgesteld, geleerd” of iets dergelijks, maar: “van het begin af is het zo geweest” (Matth. 19:8). Ook hier geldt dus: “neem wat er staat”.

Niet altijd toepasselijk

Deze vuistregel gaat echter niet altijd op. Een eenvoudig voorbeeld zal dat laten zien. De Heer Jezus heeft gezegd:
“Werkt niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in (het) eeuwige leven, en dat de Zoon des mensen u geven zal”(Joh. 6:27).

Het is zelfs voor een kind duidelijk dat het eerste deel van deze tekst nooit letterlijk genomen mag worden. Dat strijdt niet alleen met de regels van het natuurlijk leven, namelijk dat je wat moet doen om de kost te verdienen, anders kom je om, maar ook met de duidelijke voorschriften van Gods Woord. God heeft Adam werk opgedragen; de Heer zelf werkt (Joh. 5:17), en de Schrift verkondigt: “Als iemand niet wil werken, dan zal bij ook niet eten” (2 Thess. 3:10).

1 – In dit geval moeten we – zoals altijd trouwens – vragen naar de bedoeling van de uitspraak. Daarbij hebben we te bedenken, dat het gewone spraakgebruik niet wetenschappelijk nauwkeurig is. We hebben altijd meer te letten op de bedoeling dan op de bewoording.
Als we aan tafel vragen: “Wil je me de boter even geven?” dan informeren we beslist niet naar iemands bereidwilligheid maar wensen we ook de boter (met kuipje en al!) te ontvangen.
Wanneer we uitroepen: “ik ben doodmoe” dan gebruiken we deze sterke woordkeus om aan te geven dat we erg moe zijn. Zo maken we in de taal gebruik van “overdrijving” of van “eenzijdige voorstelling” om extra klemtoon te geven aan wat we zeggen of er extra aandacht voor te vragen.
In het gegeven geval wil de Heer niet zeggen dat we niet behoeven te werken voor ons onderhoud, maar dat de zorg voor ons bestaan ons niet zo in beslag mag nemen dat we aan het geestelijk voedsel geen aandacht geven. Anders gezegd, dat we terwille van de “zorgvuldigheden van het leven” het heil van onze ziel niet mogen verachten of veronacbtzamen.

Biblicisme

Het is wel op zijn plaats hier het begrip “biblicisme” ter sprake te brengen. Dit woord wordt altijd in afkeurende zin gebruikt. Men verstaat er onder het letterlijk nemen van bijbelse gegevens die figuurlijk of geestelijk bedoeld zijn. En aangezien over dit laatste nogal verschil van mening mogelijk is, kan men elkaar naar hartelust voor biblicist uitmaken, zoals dan ook gebeurt.

Gelooft iemand op grond van de oudtestamentische uitspraken en die van Openbaring 20 aan een toekomstig vrederijk op aarde, dan noemt de calvinist zo iemand in dat opzicht biblicist. Maar de chiliast zal de calvinistische uitleg van Joh. 3:5 waarbij men het begrip “water” letterlijk neemt, althans met de doop verbindt, biblicistisch noemen. En als “protestanten” beschuldigen beiden de Rooms-Katholieke kerk van biblicisme wanneer deze de uitspraak dit is mijn lichaam” letterlijk neemt en in het avondmaalsbrood na de consecratie de substantie van Jezus’ lichaam ziet.

De term biblicisme wordt dus te pas en te onpas gebruikt. Als echter iemand op grond van Joh. 6:27 stelt dat we niet behoeven te werken “omdat het er staat”, dan hebben we zeker recht hier van biblicisme te spreken. En wel een biblicisme van de slechtste soort, want teksten die precies het tegenoverstelde zeggen neemt men dan kennelijk niet “zoals het er staat”.

1) Deze tekst wordt vaak verkeerd geciteerd als: “Wie niet werkt, zal ook niet eten”. Er staat echter: “Wie niet wil werken”.

Groet elkaar met een heilige kus

Er zijn voorbeelden van biblicisme die moeilijker als zodanig te ontmaskeren zijn. Ik denk aan twee uitdrukkingen, namelijk: “Groet elkaar met een heilige kus” (Rom. 16:16; 1 Kor. 16:20; 2 Kor. 13:12; vgl. 1 Thess. 5:26; Petr. 5:14), en: “bidden met opheffing van heilige handen” (1 Tim. 2:8). Er zijn gelovigen die op grond van deze uitspraken elkaar met een kus begroeten en die bij het bidden de handen opheffen. Men leest deze teksten dan alsof er stond: “Groet elkaar met een kus” en: “Bidt met opgeheven handen”.

De apostel geeft hier echter geen voorschriften voor de wijze van groeten en bidden, maar voor de gemoedsgesteldheid of de intentie van het begroeten en het bidden. Onze groet en ons gebed mag geen huichelarij zijn! Bij de kwestie van het bidden met opgeheven banden is de zin wel heel duidelijk. Wij weten namelijk dat er in de Schrift van diverse gebedsboudingen sprake is Paulus geeft nu niet een voorschrift waarbij een bepaalde houding, zijdelings van hem de voorkeur verkrijgt. Wie de tekst zo zou lezen doet te kort aan de bedoeling van het voorschrift. De nadruk moet volledig en alleen op het woord “heilige” vallen! De toevoeging “zonder toorn en twist” ondertreept dat nog eens extra!

Koop een zwaard

Aangezien voorbeelden meer duidelijk maken dan een betoog wil ik nog een uitspraak van de Heer bezien. Ik doel op bet woord in Luk. 22:36:
“Hij zei dan tot hen: Maar nu, wie een beurs heeft. hij neme die, zo ook een reiszak; en wie er geen heeft, verkope zijn kleed en kope een zwaard”.
De eerste keer heeft de Heer zijn discipelen uitgezonden zonder dat ze enige voorzieningen mochten treffen. Toen werden ze, om zo te zeggen, met open armen ontvangen.

Na zijn kruisiging echter – daarop doelt vers 37 – zou dat anders zijn. Het kruis betekende in dat opzicht een keerpunt. Ze zouden nu met tegenstand, vervolging e.d. te rekenen hebben. Nu moeten ze wel voorzieningen treffen. Daarbij laat dan de Heer het woord vallen dat hij die geen zwaard heeft maar wel een kleed bezit dit kleed moet verkopen om zich een zwaard aan te schaffen. De discipelen hebben dit woord van de Heer letterlijk opgevat want we lezen in vers 38 dat ze gezegd hebben: “Heer, zie hier zijn twee zwaarden”. “Waren ze daarin juist?” Bedoelde de Heer echt dat ze zich een zwaard moesten aanschaffen ter verdediging tegen vijanden, rovers, wilde dieren?

Ogenschijnlijk lijkt dat zo, want de Heiland antwoordt hen: “Het is genoeg”. Toch mogen we dit voorschrift niet zo opvatten. Waarom niet?
Het minste is wel dat de uitdrukking “het is genoeg” zou betekenen dat twee zwaarden voldoende zouden zijn voor hun verdediging. Sterker echter spreekt het woord van de Heer nadat Petrus bij de gevangenneming het zwaard gebruikt en het oor van Malchus afgeslagen heeft: “Steek uw zwaard weer op zijn plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen” (Matth. 26:52).

Hieruit blijkt wel dat de Heer het bevel om een zwaard te kopen niet letterlijk bedoeld heeft.
Het ging er om dat de discipelen op tegenstand moesten rekenen en zich daartegen moesten wapenen; daarvoor moesten ze zich zelfs belangrijke zaken ontzeggen. De geestelijke weerbaarbeid moest voorrang hebben boven de zorg voor het lichaam.

Indien uw oog u ergert

Zo ook is het woord uit de bergrede: “Als dan uw rechteroog u ergert, trek het uit en werp het van u” (Matth. 5:29) niet letterlijk bedoeld. De Heer vraagt geen zelfverminking, maar bedoelt dat we moeten kappen met dingen die onze begeerte opwekken en die ons oog afhouden van Hem en ons ten val brengen. Dat kan echter geestelijk net zo’n pijnliike operatie zijn als bet uiittrekken van een oog of het afhouwen van een hand.
Deze voorbeelden maken wel duidelijk dat er geen uitgewerkte regels zijn te geven voor het al of niet letterlijk nemen van een bepaalde bijbeltekst.

Het komt aan op:

  1. kennis van het bijbels spraakgebruik dat door veel lezen van de bijbel ons eigen wordt;
  2. kennis van de bijbel waardoor we een biblicistische uitleg van een tekst met behulp van andere teksten kunnen korrigeren:
  3. geestelijk inzicht, dat we ons door onderzoek van de Schrift en door onderricht van andere gelovigen kunnen eigen maken.

De vinger Gods

Ik geef nog een voorbeeld om het belang van Schrift-met-Schrift-vergelijking duidelijk te maken. Tevens blijkt dan hoe men daardoor het bijbels spraakgebruik leert kennen.
In Ex. 31:18 en Deut. 9: 10 staat dat het schrift op de tafelen van de wet was beschreven door “de vinger Gods”. Is dat letterlijk bedoeld?
We slaan daartoe Ex. 8:19 op en lezen dat de tovenaars van de derde plaag zeggen: “dit is Gods vinger”. We zien dus dat deze uitdrukking gelijk staat met “dit is Gods werk”. We gaan naar het nieuwe testament en lezen het woord van de Heer: “Maar als ik door de vinger van God de boze geesten uitdrijf, dan is het koninkrijk Gods tot u gekomen” (Luk. 11:20),
De Heer bedoelt daarmee te zeggen dat Hij niet door Beëlzebul de geesten uitdreef, maar door de macht van God. De term “vinger Gods” moeten we dus figuurlijk opvatten.
Wat de wet betreft wordt dit nog versterkt door de mededeling dat de wet door de dienst van engelen aan Mozes is beschikt (Hand. 7:53; Gal. 3:19).

Symbolisch

Tenslotte nog een woord over symbolische of typische betekenis.

a. De tabernakel met de dienst die daarbij verricht werd, heeft in de letterlijke zin voor ons geen betekenis. Maar de symbolische spraak ervan heeft ons wel heel wat te zeggen. De onderdelen van de tabernakel waren zinnebeelden (Hebr. 9:23) van de dingen die in de hemelen zijn. Dat er dus een geestelijke spraak van uitgaat ligt al voor de hand (vgl. Openb. 11: 19).

Zo verbindt de Hebreeënbrief aan het feit dat niemand behalve de hogepriester het heilige der heiligen mocht binnengaan deze leer, dat daarmee werd aangeduid dat de weg tot het heiligdom nog niet bekend was (Hebr.9:8). En het voorhangsel wordt “gelijkgesteld” met het vlees van de Heer Jezus, dat wil zeggen met zijn mens-zijn (Hebt. 10:20). Het is dan ook sprekend dat het voorbangsel scheurde toen de Heer stierf. Zo heeft elk onderdeel dus zijn symbolische waarde (vgl. Hebr. 9:5).

b. Als gelovigen zijn we niet onder de wet; de ceremoniële voorschriften van de wet hebben ons echter genoeg te zeggen. Als het gaat om het onderhoud van de predikers beroept Paulus zich zo op de wet:
“Spreek ik dit naar de mens of zegt ook de wet dit niet? Want in de wet van Mozes staat geschreven “Gij zult een dorsende os niet muilbanden”. Zorgt God voor de ossen? Of zegt Hij dit eigenlijk terwille van ons?” (1 Kor. 9:8-9). Het letterlijke voorschrift om een os niet te muilbanden heeft voor ons dus een geesteliike betekenis,

c. Veel van de personen van het oude testament hebben ons in de letterlijke zin iets te leren. Hun Godsvertrouwen of hun struikeling daarin beeft ons iets te zeggen. Daarnaast echter zien we in velen van hen een type of beeld van de persoon van Christus en ziin werk. Ik denk hierbij aan Abraham die zijn zoon Izaäk moest offeren, aan Jozef die net als Christus door zijn broers werd verworpen en via lijden tot heerlijkheid kwam, enz.

d. Een heel sterk biibels bewijs voor deze stelling hebben we in de gescbiedenis van Abraham en Sara en Hagar, waarvan Gal. 4:24 zegt:”Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis”. In deze gevallen hebben we dus en met de letterlijke zin, de direkte betekenis van de Schriftgegevens te maken en met de geestelijke, svmbolische of wel typologische betekenis.

In die gevallen is het dus niet letterlijk ófgeestelijk, maar én letterlijk én geestelijk.
Hopelijk heeft deze verhandeling de vraagsteller en anderen iets meer klaarheid in deze belangrijke zaak – hoe we de Schrift hebben te lezen – gegeven.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies