629 jrg 132, blz. 131 1989 Vraag: afleggen van eed / Mattheüs 5:34

Vraag:

HOE MOETEN WE HET FEIT BEOORDELEN dat christenen vaak de eed afleggen en ongelovigen daarentegen de belofte? En dat terwijl de Bijbel ons duidelijk voorhoudt dat we niet mogen zweren. Zie Matth.5:34-36; 23:16-22; Jak.5:12.

Antwoord:

Bijbelse uitspraken moeten we verklaren vanuit het raam waarin ze zijn geplaatst. Daarnaast behoren we ook Schrift met Schrift te vergelijken om de bedoeling van de uitspraak juist te bepalen.

Als we hiermee geen rekening houden zouden we uit de uitspraak van de Here Jezus: ‘Werkt niet om de spijs die vergaat, maar om de spijs die blijft tot in het eeuwige leven’ de foutieve conclusie kunnen trekken dat we niet voor ons onderhoud moeten werken. De samenhang (zie vooral vs.26) laat zien dat het hier om een corrigerende opmerking van de Heer gaat. We kunnen hier denken aan het woord van De Genestet: ‘Waart gij niet afgedreven, ik had niet overdreven.’ De Heiland stelt de uitspraak in een absolute vorm om zijn hoorders wakker te schudden, maar de bedoeling is beslist niet zo absoluut. De tweede uitlegkundige regel laat dat ook zien, lezen we slechts 2 Thess.3:10.

Zo is het dus ook de vraag of het verbod om te zweren wel zo absoluut bedoeld is. Ten eerste zullen we daarbij moeten bedenken dat het in Matth.5:34~36; 23:16-22 en Jak.5:12 niet gaat om het afleggen van een eed op verzoek van de overheid of een andere instantie, maar om het uit eigen beweging zweren om je woorden kracht bij te zetten. Ten tweede dat in alle drie de gevallen het voorschrift een reactie is op een misbruik. Uit Matth. 5:34-36 blijkt dat men kennelijk bij allerlei zaken zwoer bij alles wat ‘los en vast’ is, zoals we dat wel zeggen. Welnu al die dikke woorden zijn ‘over en teveel’. Ons ‘ja’ moet ‘ja’ zijn en ons ‘nee’ moet ook werkelijk ‘nee’ betekenen (vgl. 2 Kor 1:17,18). Uit Matth.23:16-22 blijkt dat men daarbij heel spitsvondige redeneringen toepaste om de waarde van een eed te bepalen.

In de derde plaats is het goed te bedenken, dat er in de Bijbel eedzweringen voorkomen. God zelf heeft enkele keren zijn woord met een eed bekrachtigd en wel: ten aanzien van zijn Zoon (Ps.110:4; Hebr.5:6; 6:13-17; 7:20,21); ten aanzien van Abraham (Gen.22:16; Luk.1:73; Hand.7:17 ziet op Gen.15:13) ten aanzien van David (Ps.132:11; Hand. 2:30); ten aanzien van het volk (Num.14:21; Deut. 1:34; Hebr. 3:11,18; 4:3).

Verder lezen we nog van een eedzwering door een engel (Christus voorstellend? Openb.10:6).
Daarnaast zijn er een aantal formuleringen in de Brieven van Paulus die in wezen een eedzwering inhouden; zie bijv. Ef.4:17; 1Tim.5:21; 2Tim.2:14. Heel treffend is dat de Here Jezus weigerde de hogepriester te beantwoorden tot op het moment dat deze Hem onder ede ondervroeg. Toen antwoordde de Heer wel en erkende daarmee de geldigheid van deze gerechtelijke eed (Matth. 26:63; vgl. Deut. 6:13).

Deze gegevens met elkaar doen dan ook wel de vraag rijzen of het verbod om niet te zweren wel zo algemeen bedoeld is als in de vraag gesuggereerd is. Er zijn dan ook gelovigen die overtuigd zijn een eed te moeten afleggen wanneer de overheid dat vraagt. Zij zien daarin zelfs een getuigenis dat ze voor God afleggen.
Men kan echter ook een andere houding innemen en zeggen: ‘De eed wordt niet geëist, om veilig te zijn leg ik de belofte af’.

Daar er in deze kwestie aanwijzingen zijn die tot verschil in opvatting kunnen leiden, moeten we op dit punt elkaar geen regel voorschrijven. Hier geldt, dat we niet over elkaars geweten moeten heersen.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies