709 jrg 128, blz. 30 1985 Het duizendjarig rijk / Openbaringen 20

De verwachting van een duizendjarig rijk J. van Genderen De Groot, Goudriaan; prijs f 11,90.

DE SCHRIJVER NEEMT IN DEZE BROCHURE STELLING tegen de leer, dat we een duizendjarig rijk hebben te verwachten vóórdat de toestand van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ingaat. Het werkje is uitgekomen in een serie, die de veelzeggende naam ‘Pasmunt’ draagt en waarvan de deeltjes bedoeld zijn om antwoorden te geven op de vragen, die bij jonge mensen leven.

Van dit werkje valt als positief punt op te merken, dat het bijzonder vlot geschreven is; je leest het achter elkaar uit. De beschrijving van de verschillende soorten chiliasme en de historische schets geven een goed inzicht in de problematiek en in dat wat er in de loop der tijden over te berde is gebracht. Al met al zijn daar echter vijftig bladzijden mee gevuld en blijven er maar twintig bladzijden over, waarvan er slechts tien gewijd zijn aan het toetsen van de diverse opvattingen.

De auteur heeft dus veel meer werk gemaakt van de inventarisatie van meningen dan van de toetsing ervan. Dat is ronduit teleurstellend, terwijl er nog bij komt dat Van Genderen in deze bladzijden eigenlijk geen toetsing van de chiliastische opvatting geeft. Hij poneert een bepaalde mening, maar verzuimt die met een gedegen Schriftbewijs te onderbouwen. Ik wil mijn kritiek graag concretiseren.

1) Het chiliasme zoals dat door Darby, Joh.de Heer en vele anderen is en wordt voorgestaan (ook wel ‘dispensationalisme’ genoemd) beroept zich op teksten als Matth. 16: 18; Ef. 2: 14-16 en 20,21; en 1 Kor. 12: 13 om aan te tonen, dat de Gemeente pas vanaf de Pinksterdag bestaat en de gelovigen van de oude bedeling dus geen Gemeente vormden. Aan deze argumentatie gaat Van Genderen voorbij.

(2) Het dispensationalisme stelt dat de Gemeente in het Oude Testament zelfs niet is aangekondigd, aangezien Paulus van zijn prediking en van de Gemeente zegt, dat het daarbij gaat om een verborgenheid, die in de tijden van de eeuwen verzwegen en eerst nu geopenbaard of bekendgemaakt is. Het beroept zich daartoe op Rom. 16: 25,26; Ef. 3 : 3-6 en Kol. 1: 25,26. Ook over deze teksten zwijgt Van Genderen.

(3) Darby c.s. voeren aan, dat er een principieel onderscheid is tussen de periode van voor de Pinksterdag en die van na de opname vergeleken met de tijd waarin we nu leven. Van Genderen acht dat hiermee de ‘eenheid van het volk van God, waaraan volgens het Nieuwe Testament zoveel gelegen is, wordt aangetast’, en hij beroept zich dan op Joh. 10 : 16; Gal. 3: 27,28 en Ef. 2: 18. Dus op die teksten, die de eenheid van de gelovigen in deze tijd, dus de eenheid van de Gemeente aangeven
.
(4) Juist de hiervoor genoemde teksten worden met nog vele andere naar voren gebracht om aan te tonen dat er vóór de Pinksterdag onmogelijk van de Gemeente sprake kon zijn omdat er toen wel degelijk onderscheid was tussen Jood en Griek. En om aan te tonen, dat er in de tijd van de Grote Verdrukking evenmin sprake kan zijn van de Gemeente op aarde, aangezien Openb. 7 met betrekking tot die tijd heel duidelijk twee groepen gelovigen onderscheid, te weten: een groep van 144.000 verzegelden uit alle stammen van Israëlmet daarnaast een andere groep,een grote schare, die niemand tellen kan uit de volken. Waarbij ten overvloede nog een beroep gedaan wordt op Matth. 25: 31-46.

Dit gedeelte laat namelijk zien, dat er bij de komst van Jezus Christus om te oordelen drie groepen mensen worden onderscheiden. De volken worden immers verdeeld in schapen en bokken en deze beide groepen worden beoordeeld naar wat ze aan een derde groep, die aangeduid wordt met ‘deze mijn broeders’ al of niet gedaan hebben. Ook een bespreking van deze problematiek, die de auteur toch niet vreemd is, missen we in de onderhavige brochure.

(5) Darby c.s. hebben als kritiek op de ‘kerkelijke’ visie naar voren gebracht, dat de voorstanders van deze visie twee exegetische sleutels voor de profetieën van het Oude Testament hanteren. Van de vervulde profetieën geven ze een letterlijke verklaring (dat kan ook moeilijk anders, want het Nieuwe Testament gaat hen hierin voor), maar de niet vervulde profetieën wil men geestelijk opgevat zien. Daarbij komt dan nog dat men hele bladzijden profetie afdoet met slechts een paar regeltjes ‘vergeestelijkte verklaring’. Ook ten aanzien van deze dingen missen we een weerlegging.

(6) Het dispensationalisme heeft vooral in recente werken erop gewezen dat de inhoud van 1 Thess. 4: 15-18 en Joh. 14: 1-30nmogelijk met die van Matth. 25 : 31-46 gelijk te stellen is. De beide eerste schriftgedeelten zeggen dat de gelovigen de Heer tegemoet gaan in de lucht. De scheiding met de wereld wordt dus eenvoudig voltrokken doordat ze uit de wereld en van de aarde weggerukt worden, en daarbij is van een oordeel geen sprake. Matth. 25 echter spreekt over een vergadering van alle volken voor de troon van de heerlijkheid van Jezus Christus, waarbij eerst dán een scheiding tussen schapen en bokken wordt bewerkstelligd en waarbij een rechtszitting plaatsvindt.

Ook dit argument is de schrijver van ‘De verwachting van een duizendjarig rijk’ bekend; het komt echter in zijn brochure niet ter sprake. Het zou geen moeite kosten nog meer concrete punten te noemen, maar ik wil het hierbij laten, anders zou het kunnen lijken alsof ik de schrijver met alle geweld onderuit wil halen. Het bovenstaande moest echter wel aangevoerd worden om te laten zien, dat prof. van Genderen het chiliasme beslist niet ‘met gepaste munt betaald heeft’. De auteur heeft slechts wat dubbeltjes en kwartjes op de toonbank van de chiliasten geworpen, waarvan dan nog een gedeelte op de vloer is gerold. Het chiliasme is toch werkelijk wel een gedegener studie waard dan de hier gebodene.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies