Doop met vuur

Betreft: Mt 3:11,12

Vraag:

Heeft dopen met vuur te maken met Hd 2:3 (tongen als van vuur) en slaat het op vurigheid ?

Antwoord:

In heel wat opwekkingsbewegingen legt men verband tussen de doop met vuur en de verdeelde tongen als van vuur, die op de Pinksterdag gezien werden. Voor de betekenis van deze doop ziet men erin een zich aangorden met kracht en vurigheid. Een bekend lied uit de bundel van Joh. de Heer zegt: ‘Doop mij met vuur, opdat ik mij niet meer schaam’ (nr. 541).

Ogenschijnlijk lijkt het, dat men bij deze uitleg Schrift met Schrift verklaard heeft. Toch is dat niet het geval, want men heeft slechts de ene Schriftplaats, Mt 3:11 ‘maar hij die na mij komt, is sterker dan ik, ik ben niet waard zijn sandalen te dragen; die zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur’, gelegd naast de andere, te weten Hd 2:3 ‘en er vertoonden zich aan hen verdeelde tongen als van vuur’.
Afgaande op de gelijke klank ‘vuur’ en op het feit dat in beide teksten de combinatie Heilige Geest – vuur voorkomt, heeft men gesteld dat het in beide teksten om dezelfde zaak gaat. Vervolgens gaf men aan het zinnebeeld ‘vuur’ de betekenis van ‘vurigheid’ of ‘kracht’. Maar zo is men twee keer achter elkaar gestruikeld.
Ten eerste heeft men Mt 3:11 niet vanuit de kontekst (omliggende tekst) verklaard en dat is altijd een eerste vereiste.
Ten tweede heeft men aan het zinnebeeld ‘vuur’ een gevoelsmatige betekenis gegeven, waarbij het onderwijs dat de Schrift hierover geeft, werd genegeerd. Met andere woorden: men heeft juist geen Schrift met Schrift verklaard.

Twee kontrasten

We moeten goed in het oog vatten, dat de toespraak van Johannes in Mt 3: 7-12 gericht is tegen de Farizeeën en de Sadduceeën, die tot zijn doop kwamen. Tegen hen zegt hij: ‘Wie heeft u een aanwijzing gegeven om de komende toorn te ontvluchten?’.
Vervolgens vergelijkt hij hen met bomen, die geen goede vrucht voortbrengen en die daarom in het vuur geworpen zullen worden. Wat zijn activiteit onder Israël betreft, doopt Johannes in water tot bekering. Hij verricht dus een enkelvoudige handeling. Er komt echter Eén na hem, die op tweeërlei wijze doopt, namelijk met de Heilige Geest en met vuur. Die tweeërlei wijze houdt een kontrast, een schifting in. Zijn wan is namelijk in zijn hand. Hij scheidt tarwe en kaf. De tarwe zijn zij, die zich door Johannes hebben laten dopen tot bekering. Voor hen geldt de doop met de Heilige Geest. Het kaf zijn de Farizeeën, Sadduceeën en hun volgelingen, die menen op grond van verdienste het oordeel te kunnen ontgaan. Dat kaf zal Hij echter met onuitblusbaar vuur verbranden. Zij worden gedoopt met vuur.

Met instemming citeer ik hier Dr. H.N. Ridderbos:

‘In deze verbinding: dopen met de Heilige Geest en met vuur komt heel sterk uit de tweeërlei betekenis van het komende rijk Gods: het brengt genade of gericht, volheid van zegen of volheid van vervloeking. Deze zelfde verbinding vinden we bijv. in Joël 2:28-30 …’ (Korte Verkl. Mattheüs).

Johannes spreekt in eerste instantie over wat Christus met Israël – dat is namelijk ‘zijn dorsvloer’ – zal doen. Deze dorsvloer bevat twee soorten materiaal, te weten tarwe en kaf. De handelwijze van Christus met zijn volk moet dan ook wel van tweeërlei, kontrasterende aard zijn. Het verband maakt dus duidelijk, dat vuur hier een symbool is van oordeel en niet van vurigheid of kracht.
Dat is ook de betekenis, die in de Schrift aan dit zinnebeeld wordt gegeven. En omdat het oordeel het kwade wegneemt, is het tevens het zinnebeeld van loutering of reiniging (zie Js 5:24; Jr 21:14; Zc 13:9; 1 Ko 3:13,15). Deze afgeleide betekenis van loutering hebben de vurige tongen van Hd 2:3. Terwijl de Heilige Geest op Christus neerdaalt in de gedaante van een duif, daalt hij op de discipelen neer in de gedaante van tongen van vuur.

In Mt 3 gaat het dus om twee handelingen. De ene ziet op redding, de andere op oordeel. We hebben hier dezelfde tweedeling als in Js 61:2, waar van Christus gezegd wordt, dat Hij zal prediken ‘een jaar van het welbehagen des Heren’ en ‘een dag van de wraak van onze God’. Heil en oordeel worden beide voorgesteld. Het verband verklaart dus de uitdrukking en andere Schriftgedeelten steunen de uitleg (zie bijvoorbeeld Mt 13:49,50).

Ik moet met een doop gedoopt worden

Over de doop met oordeel (vuur) is ook sprake in Lk 12:50:
‘Maar ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe benauwt het mij, totdat het volbracht is.’
De Heer doelt hiermee op Zijn lijden aan het kruis. Daar zou Hij de volle toorn van God ondergaan. Het oordeel dat wij hadden verdiend, zou aan Hem voltrokken worden (vgl. Ps 42:8; Jn 2:3). In dit opzicht geldt deze doop alleen Christus. Het kruislijden is de Heer echter ook door de mens aangedaan. Men heeft hem het kruis waard geoordeeld. In deze zin zouden de discipelen ook gedoopt worden met de doop waarmee Hij gedoopt werd. Ook zij zouden door de mensen worden gesmaad en zouden lijden terwille van het geloof. Hierop doelt de Heer als Hij zegt: ‘De drinkbeker, die Ik drink zult gij wel drinken, en met de doop gedoopt worden waarmee ik gedoopt wordt’ (Mk 10:29).
In deze gevallen wordt dus op figuurlijke wijze over ‘dopen (met vuur)’ gesproken als het ondergaan van oordeel en lijden dat als een vuurgloed over iemand komt (zie 1 Pt 4:12).

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies