159 Flitsen uit het Mattheüsevangelie Mt 25:31-46

Als de Zoon des mensen komen zal …

Zoon des mensen? Wat is dat nu weer voor een vreemde en ouderwetse uitdrukking?! Ik kan me voorstellen dat u zo reageert. Weet u, de naam “Zoon des mensen” is een titel van Jezus van Nazareth. Een andere titel van Hem is “Zoon van God”. Deze beide titels geven het unieke van Christus aan. Hij is waarachtig God, vandaar de naam “Zoon van God”, en tegelijk is Hij volkomen mens, vandaar de titel “Zoon des mensen”.

Dat is het grote wonder, dat God in de persoon van zijn Zoon ons kwam opzoeken, dat Hij zijn eigen Zoon overgaf in de dood. Helaas hadden de mensen eertijds daarvoor geen oog. Ze kenden Jezus van Nazareth, maar voor hen was Hij niet meer dan de zoon van de timmerman. Ze wisten wel dat Hij zich erop beriep de Zoon van God te zijn, maar dat wilden ze niet aannemen. Ze vonden dat maar een grote aanmatiging van Hem. Godslastering was het in hun oog, en op grond daarvan velden ze het doodsvonnis. Voor hen mocht Jezus niet meer zijn dan een mens, en omdat Hij zich aanmatigde meer te zijn, rekenden ze met Hem af, voorgoed af, meenden ze.

Straks zal de hemel opengaan en zal Jezus Christus verschijnen. Hoe? ….wel, als de Zoon des mensen! Diezelfde verachte Jezus van Nazareth zal terugkomen. De mensen meenden met Hem afgedaan te hebben, maar Hij stond op en voer na veertig dagen ten hemel. Straks zal Hij komen in eer en in glorie, dan zal elk oog Hem zien, ook zij “die Hem doorstoken hebben”.

Deze Jezus, Zoon van God en Zoon van de mens, is gepredikt in de wereld als de enige weg tot God. Helaas hebben velen voor zijn heerlijkheid en majesteit evenmin oog als indertijd de Joden. Ze vinden Hem een interessante figuur, maar daar houdt het ook mee op.
Als Jezus Christus straks terugkomt, wat dan? Dan vindt er een scheiding plaats. Hij zal de volken vanéén scheiden zoals een oosters herder de schapen van de bokken scheidt. Wat is de norm voor die scheiding?

De wijze waarop men Jezus van Nazareth behandeld heeft, dat is de norm! “Maar”, zegt u, “Jezus van Nazareth is hier toch niet meer”. Inderdaad, Hij is niet hier, Hij is nog bij zijn Vader in de hemel. Maar hier op aarde heeft Hij zijn getuigen. Hij heeft ze nu in onze dagen, en Hij heeft ze straks. In dit gedeelte van Mattheüs 25 noemt de Heer ze “zijn broeders”.
Toen Saulus, op weg naar Damascus, de Heer ontmoette, kreeg hij te horen: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? ” Hier zegt de Heer tegen degenen die aan zijn rechterhand gezet zijn: “Zoveel gij het aan één van de geringsten niet gedaan hebt, hebt gij het Mij ook niet gedaan”.

Duidelijk blijkt dat de Heer Jezus zich één maakt met hen die van Hem getuigen. Er zijn streken waar christenen vervolgd worden. Wat men die christenen aandoet, doet men Christus aan. Velen keuren zulke vervolgingen af. Alleen …. de bokken aan de linkerhand van de Heer worden niet geoordeeld omdat ze “deze Mijn broeders “, vervolgd hebben. Nee, hun klinkt tegen: “Wat ge aan de minste van deze Mijn broeders niet gedaan hebt, hebt ge Mij niet gedaan.” Niet gedaan… nalatigheid… onverschilligheid… dat is de grote fout.

Hoe u tegenover Christus staat valt af te leiden uit uw houding tot zijn volgelingen. Nu weet ik wel dat er onder die volgellingen veel kaf zit. Maar toch kent u ook wel werkelijke christenen, die voor Christus leven. U vervolgt ze niet, maar om u kunnen ze ook naar de maan lopen. Wel, dan zegt Christus tot u: “Voor zover u dat aan de minste van deze Mijn broeders niet gedaan hebt, hebt u het Mij niet gedaan.”
Omdat u niet geluisterd hebt naar de boodschap van Gods genade, die u gebracht werd.
En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Het uiteindelijke gevolg van het “niet gedaan” is gaan in de eeuwige pijn. Jezus Christus zal komen als Rechter. Hij wil nu uw Redder zijn.


God dan verkondigd, met voorbijzien van de tijden van de onwetenheid, nú aan de mensen dat zij zich allen overal moeten bekeren; omdat Hij een dag bepaald heeft waarop HIj het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een man die Hij daartoe bestemd heeft, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit de doden op te wekken. (Hand. 17 : 30 en 31)

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies