Notities bij mijn Bijbel nr. 030

Genesis 2:8
Notities bij mijn Bijbel nr. 030

In Gn 2:8 gaat de beschrijving van wat God met de mens doet verder. Er staat dat God een hof in Eden, in het Oosten, plantte en dat Hij daar de mens in plaatste. God maakt dus een geschikte plaats voor de mens klaar.
Over de term ‘oosten’ is nog wel het een en ander te zeggen. In de Schrift wordt in veel gevallen niet in gunstige zin over het Oosten gesproken. De voorbeelden daarvan zijn de volgende:

a. als de mens uit de hof verdreven is na de zondeval, plaatst God cherubs (een soort engelen) ten Oosten van de hof van Eden om de toegang tot de hof te bewaken. Adam en Eva en hun nageslacht konden dus niet in de hof terugkeren maar moesten zich buiten de veilige hof zien te handhaven;
b. als Kaïn weggaat van het aangezicht van de Heer dan verstigt hij zich in het land Nod ten oosten van Eden;
c. De nakomelingen van Sem vestigen zich in de richting van het gebergte van het Oosten (Gn 10:30);
d. de opstandige nakomelingen van Adam en Eva vestigen zich oostwaarts in de vlakte van Sinear om daar de toren van Babel te bouwen (Gn 11);
e. Abraham stuurt zijn ‘bastaart’ zonen weg oostwaarts, naar het Oosterland, weg van zijn zoon Izaäk (Gn 25: 6);
f. Jacob gaat weg bij zijn familie en ging naar de stammen van het Oosten. Het gebied daar wordt het land van de stammen van het Oosten genoemd en stond dus zo bekend( Gn 29:1);
g. Bileam was afkomstig uit de bergen van het Oosten (Gn 23:7) en kwam van daar naar Balak om Israël te vervloeken;
h. Het volk Israël moet zijn gebied afschermen naar het Oosten toe (Nm 34:10);
i. Israël moest een grens hebben in het overjordaanse naar het Oosten toe (Dt 4:49);
j. Door die grens zijn ze afgescheiden van de Kanaänieten in het Oosten (Jz 11:3);
k. In Ri 6:33; 7:12; 8:10; Jr 49:28 wordt gesproken over heidenen als ‘kinderen van het oosten’;
Zo zouden we kunnen doorgaan, maar liever willen we er op wijzen dat er ook op gunstige wijze over het Oosten wordt gesproken: de tabernakel had zijn ingang ‘naar het oosten’. Naast andere betekenissen kunnen we stellen dat God ook toenadering zocht van de kinderen van het Oosten;
m. En kenmerkend is dat zij die de pasgeboren koning van de Joden opzochten ‘wijzen uit het oosten’ waren (M t 2:1). Die wijzen zijn een prachtig voorbeeld voor allen uit de volken die de eer zoeken van Hem die de door God gegeven koning is.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies