Oordeel door wie?

Betreft: Oordeel door wie?

Vraag:

Door wie worden wij geoordeeld? (zie Mt 7:1; 1Ko 11:32) Als Mt.7:1 voor deze tijd geldt, kunnen wij toch niet door gelovigen geoordeeld worden. Door wie dan wel?
Als gelovigen toch mogen oordelen, wie zijn daar dan bevoegd toe en over welke dingen gaat het dan?

Antwoord:

Om met 1 Ko 11: 31, 32 te beginnen: daar gaat het over (a) zelfoordeel en (b) het oordeel van God. Als iemand het avondmaal gebruikt als een gewone maaltijd en zich te buiten gaat in eten en drinken en dus niet bedenkt dat het een bijzonder gedachtenismaal is, dan drinkt hij zichzelf een oordeel (vs. 27 – 29). Het is een maaltijd ter gedachtenis van de Heer, waarbij het brood en de wijn resp. het lichaam en het bloed van de Heer voorstellen.

Iemand behoort dan ook zichzelf ‘onder de loep te nemen’ ofwel te oordelen om na te gaan of hij dat wel beseft. Beoordeelt hij zichzelf daarin niet en eet en drink hij zich ‘zat’ dat valt hij onder het oordeel van God die hem tuchtigt met ziekte e.d.(zie vers 30). Oordelen we onszelf daarin wel, dan worden we niet door God geoordeeld.

In Mt. 7:1 gaat het erom dat ik mijn broeder oordeel, terwijl ikzelf helemaal fout sta. Zulk oordelen, waarbij ik mijn eigen kwaad niet wegdoe, veroordeelt de Heer. Dan heet het:’oordeelt niet’. Wil dat zeggen dat ik er niets van mag zeggen en er niets aan mag doen als het met mijn broeder fout zit? Nee, dat betekent het niet, maar dan:
(a) moet ik eerst mijn eigen fouten veroordeeld en voor God beleden hebben. Eerst dan kan ik naar mijn broeder kijken. Eerst de balk uit het eigen oog wegdoen dan kan ik pas mijn broeder helpen.

(b) moet het niet om veroordelen gaan, maar om oordelen om mijn broeder te helpen. Letterlijk een splinter uit iemands oog verwijderen moet dienen om die persoon van pijn en ongemak te bevrijden, zodat hij zijn oog goed gebruiken kan. Zo moet het ook zijn met geestelijk oordelen: ik moet daarin door liefde gedreven worden om mijn broeder te helpen.
Wie er mogen oordelen betreft dus niet een bepaalde klasse bevoegde personen, maar betreft gelovigen die in een geestelijke toestand zijn om dat te doen. Het kan best zijn dat iemand eerst daartoe wel geschikt was, maar later niet omdat hijzelf afwijkt en dus niet meer voldoet aan de voorwaarde a. hierboven genoemd.

Dat wij wel mogen, ja moeten oordelen (mits in de goede geest) zien we ook in 1 Ko 5. We lezen daar dat wij als gemeente te oordelen hebben ‘hen die binnen zijn’. Als broeders of zusters in kwaad vallen en zich niet laten herstellen (zie Gl 6:1), maar in het kwaad leven dan zal er door de gemeente tucht moeten worden uitgeoefend. De gemeente, de broeders en de zusters, zijn dus bevoegd bozen te oordelen en weg te doen.

Zowel voor het persoonlijk oordeel als voor het oordeel van de gemeente geldt dat we nooit iemands motieven mogen oordelen tenzij die door hemzelf aan het licht gebracht worden. We kunnen namelijk niet in iemands hart kijken. We moeten oordelen over wat we zien en van iemand zelf horen, niet over innerlijke drijfveren, die we vermoeden.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies