Seks voor het huwelijk

Vraag:

a) Waar staat in de Bijbel dat men geen vóórechtelijk geslachtsverkeer mag hebben?
b) Moeten gelovigen die vóór het huwelijk geslachtsgemeenschap gehad hebben en die niet (willen) inzien dat dat zonde is en dat niet als zonde (willen) belijden, uitgesloten worden?

Antwoord:

a) In de Bijbel staat nergens met zoveel woorden dat een jongen en een meisje vóór het huwelijk geen sexuele omgang met elkaar mogen hebben. Er is geen uitdrukkelijk verbod. Dat is er trouwens ook niet wat het polygame huwelijk betreft. Ten aanzien van dit soort zaken zijn er twee houdingen die tegengesteld, maar allebei fout zijn. De ene is dat men zegt: ‘Wat niet geboden is, is verboden’. Men is dan ‘strakker’ dan wat de Schrift aangeeft. De andere is dat men zegt: ‘Wat niet verboden is, is geoorloofd’. Men stelt de zaken dan ruimer dan dat de Schrift doet.
Maar net als bij het onderwerp’ polygamie’ zijn er aanwijzingen genoeg, die ons duidelijk maken wat de wil van God is. Daarbij wil ik nog opmerken, dat een christen niet leeft bij uitdrukkelijke geboden en verboden, maar bij het geheel van het Woord van God.

Welnu, de huwelijksinstelling van Gn 2:24 begint met het punt dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat. Dat betekent niet dat hij op kilometers afstand van hen gaat wonen, maar dat hij het gezinsverband van vader en moeder verlaat en nu met zijn vrouw een nieuw gezinsverband gaat vormen en zijn vrouw aanhangt. Dat laatste ziet op een zeer intieme en sterke verbinding.
Hoe dit verlaten van de ouders en het aanhangen van zijn vrouw bekend gemaakt wordt is een zaak van tweede orde. Dat gebeurde oudtijds binnen het familieverband (denk aan Jacob bij Laban) of het stamverband. Bij Boaz gebeurde het ten overstaan van de oudsten van de stad. Later speelde het huwelijk zich af in de synagoge en in het christendom in de kerk. Vanaf Napoleon is het een zaak van de stedelijke overheid die de burgerlijke stand bijhoudt. Het huwelijk is een sociale aangelegenheid en de maatschappij heeft er recht op te weten wie getrouwd zijn.
Of men bij een huwelijk een bruiloft wil vieren of niet is ook een bijkomende factor. De zaak waar het om draait is deze dat een man en vrouw samengaan en dat duidelijk officieel bekendmaken. Van die twee zegt God dan dat ze tot één vlees zullen zijn, zowel geestelijk als lichamelijk.

Verder zien we dat in de Bijbel over vóórechtelijk verkeer altijd in negatieve zin gesproken wordt. De broers van Dina spreken over ‘een schandelijke dwaasheid in Israël’ (Gn 34:7) en Mozes zelf geeft daarbij als commentaar ‘want zoiets doet men niet’. Ook Tamar laat zich zo uit tegenover Amnon die gemeenschap met haar wil hebben (2 Sm 13:12). Nu kan men zeggen dat het in die gevallen gaat om verkrachting, maar zo simpel ligt het toch niet. Dina blijkt in het huis van Hemor te verkeren en het is moeilijk voor te stellen dat ze daar gevangen gehouden werd. Het is dus heel de vraag of ze wel helemaal schuldeloos in deze affaire is. Tamar wil wel met Amnon trouwen, ze heeft dus geen bezwaar tegen geslachtelijk verkeer met hem, maar dan pas na een huwelijk.
Verder zien we dat van een ondertrouwd meisje altijd verondersteld wordt dat ze maagd is tot aan het huwelijk. Zie bijv. Dt 22: 23 en denk aan Lk 1: 34.
Het geheel van het bijbels onderwijs laat zien dat geslachtsverkeer vóór het huwelijk tegen de gedachten van God is.

b) De vraag hierbij is of men werkelijk niet inziet dat het zonde is of dat men het niet wil inzien. In een gesprek zal men moeten proberen hier achter te komen. Daarbij speelt de achtergrond van de beide partners ook een rol. Als beiden uit een volstrekt werelds milieu komen waar men dit soort zaken doodgewoon vindt dan moeten we daarmee rekening houden in onze benadering van de twee. Het betekent niet dat we hun gedrag goedkeuren, maar wel dat we met veel geduld moeten proberen hen duidelijk te maken hoe God over een dergelijke omgang denkt (zie antwoord vraag a en lektuur over dit onderwerp).

Als het gaat om twee mensen die een christelijke achtergrond hebben en die redeneren van: ‘Ik vind dit en ik vind dat’ dan zullen we hen erop moeten wijzen dat het niet van doorslaggevend belang is wat zij denken, maar welke aanwijzingen de Schrift geeft. In het gesprek blijkt dan wel of beiden de Schrift serieus nemen en hun mening daaraan willen toetsen of niet. Aan beiden zou bijvoorbeeld ook de vraag gesteld kunnen worden: ‘Als jullie zouden inzien dat jullie gedrag niet naar Gods gedachten is geweest, zouden jullie het dan belijden?’. Als daar aarzelend op geantwoord wordt is dat een indicatie dat men de zaak niet zo serieus neemt.

Of dit ‘vooruitgrijpen’ op het huwelijk als een zo ernstige daad moet worden gezien,dat er een uitsluiting op toegepast moet worden, is de vraag. In 1 Ko 5 gaat het namelijk om het kwaad van hoererij. Wij denken bij tucht vaak te gauw en te eenzijdig aan ‘uitsluiting’, maar er zijn ook minder strenge tuchtmaatregelen. Men zou in dit geval bijvoorbeeld kunnen volstaan met een ‘bestraffing’ waarbij de gemeente uitspreekt dat ze een dergelijk gedrag van sex vóór het huwelijk veroordeelt en de hoop uitspreekt dat de betrokkenen ook tot deze veroordeling zullen komen.

Dan is er nog een praktisch punt waar we rekening mee zullen moeten houden, namelijk dat diverse stelletjes net zo goed sexuele omgang met elkaar (gehad) hebben, maar dat ze de gevolgen (hebben) weten (wisten) te voorkomen. Dit maakt de beoordeling van dit gedrag principieel niet anders, maar zijn we wel eerlijk ten opzichte van hen bij wie het ‘misgegaan is’ als we de meest strenge tucht op hen toepassen?

Er zou meer over te zeggen zijn, maar het bovenstaande geeft hopelijk wat richtlijnen hoe men in een dergelijke situatie kan handelen.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies