Verbond – doop – behoud

Vraag:

Als de kinderen groter worden en er moeilijkheden komen, kun je dan kracht putten uit het feit dat ze gedoopt zijn en in het verbond zijn opgenomen? Wat houdt het verbond ten diepste in?

Antwoord:

Dit is een moeilijke vraag en dat niet omdat er leerstellig geen duidelijk antwoord op te geven zou zijn, maar omdat dit zo’n gevoelige materie is. Wij bouwen namelijk soms op valse zekerheden en het wegnemen daarvan komt soms pijnlijk over. Gelukkig echter zijn er wel bijbelse beloften waarop we mogen pleiten.

Het verbond
Het berijmde psalmvers luidt: ‘het verbond met Abraham zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind’. In Ps 105: 8-11 gaat het evenwel om het letterlijk nageslacht van Abraham. Dat blijkt ook duidelijk uit vers 11, want daar is sprake van het geven van het land Kanaän aan dat nageslacht. Nu weten we allen, dat wij ‘uit de volken’ geen letterlijke afstammelingen van Abraham zijn. We zijn geen Israëlieten. Hoe kunnen we dan het verbond met Abraham gesloten op ons toepassen en wat moeten we aan met die belofte van het bezit van Kanaän?

Nu zegt Gl 3 dat wij kinderen van Abraham zijn op grond van geloof. We zijn geestelijke kinderen van Abraham. Laten we daarom eens aannemen dat we het verbond, bedoeld voor zijn lichamelijk nageslacht, mogen ‘vergeestelijken’ en mogen overbrengen op zijn geestelijk nageslacht. Dan is de belofte alleen ons deel op grond van het feit, dat we tot geloof gekomen zijn en de Heilige Geest ontvangen hebben (Gl 4: 6). Maar dan geldt dat pas voor onze kinderen als ze ook tot geloof gekomen zijn, eerst dan worden ze in het verbond opgenomen. Immers: als een heiden tot bekering komt is hij op grond van geestelijke geboorte een kind van Abraham. Mag je nu zeggen dat de kinderen van deze bekeerde heiden ook kinderen van Abraham zijn en dat op grond van hun vleselijke, lichamelijke geboorte? Dat kan toch niet?! Je kunt niet zomaar van de geestelijke lijn op de vleselijke lijn overgaan!

Zelfs al zou je deze’hobbel’ nemen dan betekent het nog niet dat de kinderen automatisch behouden zijn. Onder de oude bedeling waren de bondelingen toch ook niet automatisch zalig. Terecht waarschuwt men in ‘bevindelijke’ kringen (die het verbond wel op ons overbrengen) voor het zogenaamde heilsautomatisme dat zou inhouden dat kinderen van christelijke ouders opgenomen zijn in het verbond en ook automatisch zalig zouden worden.
Het verbond houdt voor ons in, dat een ieder die gelooft de zegen van Abraham ontvangt, d.w.z. de rechtvaardiging op grond van geloof en de belofte van het erfgenaamschap met Christus (Gl 3:14; Rm 8:17).

Uit Jh 1::11,12 blijkt dat lichamelijke geboorte niet vanzelfsprekend geestelijke geboorte uit God inhoudt. Onze kinderen moeten bij het opgroeien zelf tot bekering en geloof in Jezus Christus komen. Daartoe moeten we ze ook opvoeden. Helaas stellen velen zich ermee gerust dat ze als kind gedoopt zijn, dat ze meegaan naar de kerk, enz. We moeten ze echter voorhouden dat genade geen erfgoed is en ze zich persoonlijk moeten bekeren en moeten geloven in Jezus Christus. We hoeven ze daarmee natuurlijk niet constant te confronteren, maar het moet ze als de gelegenheid zich voordoet wel duidelijk worden voorgehouden.

Gij en uw huis
De vraag is nu of er geen zegen verbonden is aan het feit, dat iemand uit christelijke ouders geboren is. Dat is gelukkig wel het geval. Ten eerste horen onze kinderen van jongsaf de boodschap van het heil. Ten tweede hebben we het woord dat Paulus en Silas spraken tot de cipier in Filippi. Deze man vroeg wat hij moest doen om behouden te worden. Het antwoord luidde: ‘Stel uw vertrouwen op (of: geloof in) de Heer Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis’ (Hd 16:31). Dit beginsel van ‘gij en uw huis’ vinden we de hele Schrift door te beginnen vanaf (Gn 7:1). God wil huisgezinnen behouden! Maar dat sluit de verantwoordelijkheid van de ouders niet uit om hun kinderen te spreken over bekering en geloof en dit aan hun kinderen voor te leven. Evenmin sluit het de verantwoordelijkheid van de kinderen uit om zich te bekeren.

Ouders die in afhankelijkheid van de Heer hun kinderen het geloof hebben voorgeleefd, mogen pleiten op het beginsel ‘gij en uw huis’. Als de kinderen groter worden en als ze een verkeerde weg gaan mogen ze aan God vragen hun kinderen tot inkeer te brengen met een beroep op deze belofte. En als ouders voor zichzelf tot de ontdekking komen dat ze in de opvoeding gefaald hebben, laten ze dat dan oprecht voor God belijden en vragen of God ondanks hun falen toch hun kinderen wil redden.
Maar…..om kinderen het geloof voor te leven, moeten ouders zelf het geloof bezitten. Moeten ze zich bekeerd hebben. De eerste vraag voor ons als ouders is dus: hoe staan wij persoon;lijk voor de Heer?! Hebben wij ons bekeerd, geloven we in de Heer Jezus en laten we in ons leven zien dat we Hem willen dienen?

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies