Wet en zonde opwekken

Vraag:

1) De wet leert ons dat begeren zonde is, maar ze spoort er toch niet toe aan om te zondigen?
2) Waarom een wet als we die toch niet konden houden?
3) Waarom heeft God ons niet een meer standvastig karakter gegeven zodat we de zonde kunnen weerstaan?

Antwoord:

1) Natuurlijk zet de wet ons er niet toe aan om te begeren, ze verbiedt dat juist. De wet zelf is heilig en goed. Het gaat nu echter om de uitwerking van de wet bij ons zondige mensen (voordat we de vrijmaking van Rm 8 kennen). Die uitwerking is negatief. Dat zit hem niet in het gebod, maar in ons vlees. De negatieve uitwerking van de wet wordt in de Bijbel echter heel duidelijk aangegeven en wel in Rm 7: 5. Daar staat (St. Vert.) ‘Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonde, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vrucht te dragen’. Dit zijn de woorden van de Schrift en deze woorden kunnen niet anders betekenen, dan dat de ‘bewegingen der zonde’ door de wet opgewekt worden.

‘Maar dat kan niet’ zeggen wij dan, de wet is toch door God gegeven, aan de wet mankeert toch niets?’. Wel, God heeft deze tegenwerping van ons als het ware voorzien en beantwoord . God laat Paulus namelijk schrijven: ‘ Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet.. Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht’ (Rm 7: 8). Anders gezegd: de schuld ligt niet bij de wet, maar bij ons. De wet is heilig, rechtvaardig en goed (vs.12).

Hoe een verbod de zonde opwekt kunnen we zelf eenvoudig nagaan. Gebiedt als ouder maar eens aan de kinderen, die rustig zitten te spelen, dat ze niet in de kast mogen kijken. Prompt wordt door dat gebod de begeerte in hun hart gewekt om toch in de kast te kijken. Dat ligt niet aan het gebod, maar aan onze aard. Welnu, dat bedoelt de Schrift met het opwekken van de zonde door de wet.

Iemand die zich onder de wet stelt, wil God natuurlijk eren. De persoon in Rm 7 wil dat van harte, maar met al zijn inspanning is hij bezig met zichzelf. God krijgt bij hem pas de eer als hij aan het eind van zijn worsteling (7: 25; 8:1-11) komt en hij ziet dat hij van de wet van de zonde en de dood is vrijgemaakt door het geloof in Jezus Christus

2) De wet opende voor Israël de ogen voor wat zonde was. Dat begeerte zonde is, zegt de wet. Dat is dus de positieve funktie van de wet. Dat een mens de wet niet kan houden en niet door werken van de wet gerechtvaardigd wordt, stond vast. Dat lijkt alleen negatief, maar dat is het niet. Die ervaring moet de mens er namelijk toe brengen te pleiten op de genade. God wilde dat de mens zou inzien dat hij door eigen krachts – inspanning de zaak met Hem niet in orde kon brengen, maar dat hij afhankelijk was van Gods genade.
Toen Jezus Christus op aarde kwam heeft God laten zien hoe groot zijn genade was. Hij gaf namelijk zijn eigen Zoon over in de kruisdood om ons te kunnen redden. Vooruitziende op het kruis kon God in de bedeling van de wet ieder die op zijn genade pleitte, aannemen.

3) In eigen kracht kunnen we de zonde niet weerstaan, maar God geeft aan ieder die gelooft zijn Heilige Geest en die wil ons leiden en ons de kracht geven om ons voor de zonde dood te houden. Maar dat vraagt afhankelijk – heid en erkenning van eigen zwakheid. Uit 1 Jh 2:1, 2 volgt dat we niet hoeven te zondigen. We kunnen het nog wel, en als het gebeurt is er herstel mogelijk, maar we hoeven het niet. God heeft ons na onze bekering geen automaten van heiligheid gemaakt, maar ook geen willoze werktuigen van de zonde gelaten.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies