Zonde en doodstraf

Vraag:

Als vasten, duivel-aanbidding en avondmaal misbruiken niet genoeg is om dood te gaan en deze verrotte wereld te verlaten. Wat dan wel?

Antwoord:

God heeft tegen het eerste mensenpaar gezegd, dat als ze van de ‘boom van kennis van goed en kwaad’ zouden eten, ze de dood zouden sterven. Nadat Adam en Eva gezondigd hadden zijn ze niet direct gestorven. Het doodvonnis werd niet in zijn volle omvang op staande voet voltrokken. Wel werden ze sterfelijk en ging in beginsel het vonnis dus op dat moment in.Van alle mensen vanaf dat ogenblik geldt de uitspraak die we in Gn 5 zo vaak tegenkomen: ‘En hij stierf’ . Uit de bijbel weten we dat het na de dood niet uit is met de mens, maar dat er voor de ongelovigen de opstanding ten oordeel volgt (Jh 5: 28, 29) en zij daarna geworpen worden in de Poel des Vuurs, dat is de tweede dood (zie Op 20).

Van een direct doodsoordeel op bepaalde zonden lezen we daarna ook nog niet. Kaïn was een doodslager en zijn nakomeling Lamech ook. Beiden werden echter niet direct na hun daad weggenomen. Wel heeft God na verloop van tijd de zondvloed laten komen die een algemeen doodsoordeel van God was. Na de zondvloed werd de doodstraf ingesteld op het doden van een mens (Gn 9: 6). Die straf wordt echter niet door God voltrokken maar moet door de mens uitgevoerd worden.

Aan Israël gaf God zijn wetten en daarbij werd de doodstraf op veel meer vergrijpen gesteld. De mens werd opgedragen deze straf te voltrekken. Nu waren er twee mogelijkheden dat de straf niet ten uitvoer werd gebracht.
De eerste was dat God de zondaar genade bewees. We zien dat in het geval van David. De tweede was, dat de mens de straf niet toepaste. Als de mens dat niet doet dan grijpt God niet direct in. Dat was het grote probleem van Asaf (Ps 73). Hij zag dat de goddelozen moord en doodslag pleegden en God dat maar liet geworden. Wel leerde hij daarna zien, dat Gods eindafrekening heus wel komt, maar dan op Gods tijd.

Hoewel de heidenen de wet niet hadden zo had de overheid toch ook onder de heidenen orde en recht te bewaren. Rm 13 zegt dat de overheid een dienares Gods is tot straf van kwaaddoeners en tot beloning van hen die goeddoen. Voor haar geldt (denk aan Gn 9: 6) dat ze moord en doodslag met de doodstraf te bestraffen had. De overheid – zo staat er – draagt het zwaard niet tevergeefs. Als een overheid hierin met Gods instelling geen rekening houdt dan blijft het kwaad niet of onvoldoende bestraft. En weer…dan grijpt God niet direct in, Hij laat dat geworden, maar
(1) dikwijls zien we dat in de regeringswegen van God zo’n persoon toch door de Heer al getuchtigd wordt in dit leven en
(2) in het eindoordeel ontloopt zo iemand de straf niet en dat is dan een eeuwige straf.

Na de Pinksterdag waarover Hd 2 spreekt is er naast Joden en Volken een derde ‘iets’ verschenen namelijk de Gemeente Gods. Aan de leden van die Gemeente heeft God geen wereldse bestraffingsmethoden voorgeschreven die de overheid wel mag gebruiken. Nergens vinden we in de Schrift dat de Gemeente luilakken in haar midden in een werkkamp moet zetten of iets dergelijks. Wel lezen we dat er tucht uitgeoefend moet worden. Dat kan zijn dat iemand een vermaning krijgt of een berisping of dat in het ergste geval iemand uit de gemeenschap van de gelovigen verstoten wordt (1 Ko 5:13). Valse leer, afgoderij, duivelaanbidding, dronkenschap, enz. zijn redenen om tucht uit te oefenen. Het doel van die tucht is dat iemand tot inkeer komt. Als de Gemeente deze tucht niet toepast blijven zulke mensen dus binnen deze of gene geloofsgemeenschap verkeren. Ook dan zien we dat God meestal niet direct ingrijpt en zulke mensen door de dood wegneemt. Wel komt God ze als ze gelovigen zijn in dit leven indirect tegen. Hij ontneemt ze de vreugde van het heil, ze verliezen de zekerheid van het behoud, God kan hen tuchtigen met tegenslag in zaak of gezin (denk even aan Ps 32). Als het ongelovigen zijn geldt van hen hetzelfde als van de mens in de wereld dat zo’n naamchristen eenmaal in het eindoordeel voor God verschijnt om voor eeuwig geoordeeld te worden.

Of iets hier en nu voor God een aanleiding is om iemand uit dit leven weg te nemen, moeten we aan God overlaten. God is echter lankmoedig en wil niet dat een mens verloren gaat. Daarom geeft Hij hem tijd en veel kansen om nog tot inkeer te komen en gered te worden. Laten we daar de Heer maar dankbaar voor zijn. Hij heeft gezegd: ‘ De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de HERE, dan zal Hij zich over hem ontfermen- en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten hoger dan uw gedachten.’ (Js 55:7-9). Laten we daar maar erg dankbaar voor zijn en laten we maar iets van de erbarming van de Here God leren en Hem daarin navolgen.

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies