Zondige gedachten

Vraag:

(a) U maakt onderscheid tussen zonde en zonden, maar het is toch enkel een kwestie van één zonde tegenover meer zonden?
(b) We zondigen toch nog dagelijks, wat doet de Heer daarmee?
(c) Als je veel last hebt van verkeerde gedachten, wat doe je daar dan mee?

Antwoord:

(a) De bijbel maakt onderscheid tussen:
— zonde als zondige aard of natuur. De mens deugt niet wat zijn innerlijk wezen betreft., en
–zonde als verkeerde daad. Dan gaat het niet over de geaardheid van de mens, maar over dat wat hij doet in gedachten, woorden en daden.
Deze twee zaken: geaardheid en daad, moeten we goed onderscheiden en we moeten bedenken dat we zowel vanwege onze zondige aard, als vanwege onze zondige daden de hemel niet kunnen binnen gaan. We zitten dus met een tweevoudig probleem en daarin moet voorzien worden willen we behouden worden. Een voorbeeld kan dit illustreren:

Je zou een mens kunnen vergelijken met een verkeerde boom, een wilde appelboom bijvoorbeeld. Die wilde appelboom brengt wilde, wrange appels voort. Je kunt de appels en de bladeren er wel aftrekken, maar de boom blijft ‘wild’, want zijn aard is verkeerd. Wil een hovenier zo’n wilde appelboom in zijn hof hebben dan moet het mes erin, de takken moeten gekapt en er moet een tak van een goede appelboom op de stam geënt worden.
Zoals de wilde appels voortkomen uit de wilde geaardheid, de wilde natuur van de boom, zo komen de zonden die een mens doet voort uit zijn zondige geaardheid.
Verondersteld dat iemand een driftkop is, hij heeft dan een driftige natuur. Als hij zich op een zeker moment niet beheerst dan uit zijn driftige aard zich in een driftige daad, bijvoorbeeld in een scheldpartij of in handtastelijkheden.

Nu is het gelukkig zo – dat was ook noodzakelijk – dat het kruis van Jezus Christus voor beide zaken, te weten het probleem van de zondige aard en dat van de zondige daden, een oplossing biedt. Als iemand tot bekering en geloof in Jezus Christus is gekomen, mag hij namelijk twee dingen weten:

  • – ten eerste dat zijn boze, zondige natuur (zijn verkeerde aard) in Christus geoordeeld is (zie (2 Ko 5:21 en vergelijk Rm 8:3).
  • – ten tweede dat al zijn zonden (zijn verkeerde daden) door God op Jezus Christus gelegd zijn. De Heiland, Jezus Christus heeft daarvoor de straf gedragen op het kruis (Js 53:5; 1 P 2: 21-25),
    Het is uiterst belangrijk goed het verschil te zien tussen 2 Ko 5: 21 en 1 Pt 2:24. In het eerste vers gaat het om onze geaardheid, om wat we waren en nu zijn; in het tweede vers gaat het om wat we deden en om wat we nu gaan doen.

a. Hij die geen zonde gekend heeft Hij die geen zonde gedaan heeft
(Hij kende geen zondige aard)) (Hij heeft geen zondige daad gedaan)
b. Heeft God tot zonde gemaakt Heeft onze zonden gedragen op het hout
(God rekende Hem onze (nam onze zonde- daden voor
zondige aard toe) zijn rekening)
c. opdat wij zouden worden.. opdat wij voor de gerechtigheid gerechtigheid in Hem leven zouden (God ziet ons als smetteloos) (goede, daden doen)

We moeten bedenken dat God onze geaardheid niet kon ‘vergeven’. Je kunt niet vergeven wat iemand ‘is’, maar wat iemand ‘gedaan heeft’. Een driftkop kun je zijn driftigheid niet vergeven, je kunt zijn driftige daden vergeven. Onze zondige aard kon God alleen maar ‘oordelen’ in Christus .Als gevolg daarvan is een gelovige dan ook geen zondaars meer, hoewel hij nog wel zonde kan doen. Dat laatste kan, omdat hij nog het ‘vlees’ in zich heeft. We kunnen nog wel zondigen, maar we hoeven het niet (zie 1 Jh 2:1). Als we gezondigd hebben, verwerpt God ons niet, maar Hij wil ons die zonden vergeven als we ze Hem belijden..

Onze zondige daden kan God wel vergeven en Hij doet dat op het moment dat we tot geloof komen. Nu moeten we opnieuw twee dingen onderscheiden, te weten:

(1) het onderkennen dat we het ‘vlees’ nog in ons hebben en
(2) het laten werken van het ‘vlees’.

Veel christenen zeggen: Ja, maar ik zondig nog iedere keer. Ze zeggen dat. omdat ze merken dat het ‘vlees’ nog in hen is. Dat merken ze omdat er begeerten opkomen, onreine gedachten, drift e.d. Als je hen vraagt: ‘Maar welke zonde heb je dan gedaan?’, raken ze vaak in verlegenheid en mompelen ze zo iets als: ‘Ja, maar je denkt toch altijd verkeerd’.
Het constateren dat het ‘vlees’ nog in ons is, betekent echter niet dat we al zondigen. We kunnen niet voorkomen dat er verkeerde gedachten bij ons opkomen. Daarvoor heeft Luther eens de volgende vergelijking gebruikt: ‘Ik kan niet voorkomen, dat er vogels over mijn hoofd vliegen, ik kan wel voorkomen dat ze een nest maken in mijn haren’.

Dit onderscheid vinden we ook bij Jacobus. Hij heeft het over ‘begeerte’ die ons wil meeslepen en verlokken, vervolgens spreekt hij over ‘het bevrucht zijn’ van de begeerte waardoor we tot zondigen komen (Jk 1:14, 15). Als een eicel niet bevrucht wordt, ontstaat er geen levend wezen; als verkeerde gedachten niet bevrucht worden ontstaat er geen zonde. En als we toch tot zonde gekomen zijn, wat dan? Wel, in 1 Jh 2:1 staat dat als wij gezondigd hebben Christus voor ons een Voorspraak is bij de Vader. Hij is ook onze Hogepriester die onze zwakheden kent en voor ons bidt (Hb 2:17,18; 4:14-16; Rm 8: 34). Een geweldig voorbeeld van zijn voorbede zien we in Lk 22: 31, 32. De Heer Jezus trad al voor Petrus tussenbeide voordat hij zondigde. Welnu, zo is de Heer Jezus werkzaam voor ons om ons te bewaren voor zondigen en ons te herstellen als we gezondigd zouden hebben. Dit is de kant van de Heer

(b en c) Er is echter ook de kant van onze verantwoordelijkheid. Als wij gezondigd hebben, moeten we onze zonde direct aan God belijden, dan vergeeft Hij ze ons (lees 1 Jh 1: 7, 9). Hebben we tevens tegen mensen gezondigd dan zullen we het kwaad ook belijden tegenover de betreffende personen.

Wat verkeerde gedachten betreft geldt, dat we aan die gedachten niet moeten toegeven door ze voedsel te geven. Als we in ons gedachtenleven het kwade laten doorweken en de begeerte gaan koesteren, dan laten we het ‘vlees’ werken. We moeten dat juist niet doen, maar de verkeerde gedachten prompt oordelen en aan wat anders gaan denken. In Ko 3:1,2 lezen we: ‘Zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn’. Uit vers 5 blijkt dat de apostel daarbij denkt aan: hoererij, hartstocht, boze begeerten, enz. Met zulke dingen moeten we ons niet in onze gedachten bezighouden.

Dat betekent in eerste linie dat we niets gaan zien of lezen dat prikkelend voor de hartstochten is, want dan voeden we onze geest met deze negatieve, verkeerde dingen.
Als er zomaar verkeerde gedachten bij ons opkomen dan moeten we ze, zoals gezegd, oordelen en aan wat anders gaan denken. Daarom is het zaak ons met goede dingen bezig te houden. In Ko 3 wordt gewezen op de geestelijke dingen, die we in Christus bezitten. Daarnaast mogen we ons natuurlijk ook bezig houden met plannen voor ons werk, onze hobby of ontspannende zaken. Zo goed als we aan verkeerde dingen kunnen denken, zo goed kunnen we ook aan goede zaken denken. Wanneer we echt gevoelen dat satan ons met verkeerde gedachten wil verleiden, dan zullen we dit in gebed voor de Heer brengen en vragen of Hij ons ervan verlossen wil. Een middel om satan af te wijzen is ook een geestelijk lied te zingen. Iemand zei het eens zo: ‘Satan heeft een hekel aan zingen’. Hij bedoelde natuurlijk het zingen van geestelijke liederen.

Als we opvliegend van aard zijn, zullen we van Christus moeten leren om zachtmoedig te worden. Mozes was opvliegend, hij vermoordde de Egyptenaar (Ex 2:11,12). Later wordt van hem gezegd, dat hij de zachtmoedigste was van alle mensen (Nm 12: 3). Hij heeft dus geleerd en is gegroeid. Toch speelde die verkeerde aard hem nog een keer parten toen hij op de rots sloeg, in plaats van er tegen te spreken (Nm 20: 7-11). Het verkeerde blijft dus in ons, maar we moeten ons er dood voor rekenen en ons er innerlijk niet mee bezig houden.

We moeten – om zo te zeggen – groeien in het negeren van onze oude natuur. Door ons bezig te houden met de Bijbel en met goede dingen, groeien we uiteraard naar God toe. Je zou deze vergelijking kunnen trekken: Veronderstel dat er een meer is met op de bodem rotspieken, landruggen, scheepswrakken, etc.. Als het meer vol water staat zal een schip van al die zaken geen last hebben, hoewel ze er wel zijn. Zodra het water in het meer echter gaat zakken, worden het hinderlijke obstakels. Als ons geestelijk niveau ‘hoog’ is, zullen we van ons ‘vleesobstakel’ weinig last hebben. Om dat niveau hoog te houden is natuurlijk ook het gebed uiterst belangrijk. Bidden, bijbellezen, met goede dingen bezig zijn dus!!

Jaapfijnvandraat.nl maakt gebruik van cookies