Snel zoeken:
Notities bij het boek ĎGeneest de ziekení Ė hoofdstuk 04

TEKENEN VOLGEN DE GELOVIGEN (hfst.4)

Drie opvattingen
In hoofdstuk 4 behandelt Ouweneel het onderwerp waarover veel te doen is, namelijk het plaatsvinden van tekenen en wonderen. In het algemeen gesproken zijn er een drietal opvattingen, te weten:
a. het plaatsvinden van tekenen en wonderen is beperkt tot de apostolische tijd;
b. tekenen en wonderen zijn bedoeld voor “zendingssituaties” in heden en verleden;
c. tekenen en wonderen zijn niet beperkt tot een bepaalde tijd of bepaalde plaats.
WJO is mening c toegedaan, terwijl ik opteer voor mening b.

De schrijver begint met opvatting a onder de loep te nemen. Voorstanders van deze opvatting voeren argumenten aan uit het OT. De toestand die in het OT beschreven wordt, verschilt echter principieel van die in het NT. IsraŽl had bijv. geen zendingsbevel. Uit het OT zijn dan ook m.i. geen argumenten pro of contra te distilleren die er echt toe doen. Deze argumenten (ook de door WJO aangevoerde) laat ik dan ook rusten.

De bediening van de genezing

Wel wil ik ingaan op de kritiek die Ouweneel naar voren brengt op blz. 110 over de opvatting van Richard Mayhoe die deze heeft neergelegd in zijn boek “De belofte van genezing’. Helaas versmalt de discussie zich dan even tot de kwestie van de genezing.
Ik zou dit gedeelte daarom dan ook kunnen overslaan, maar wil ťťn punt uit de weerlegging van WJO toch even onder de loep nemen en dat omdat zijn manier van weerlegging kenmerkend is.
Mayhue stelt dat de genezingen die Jezus verrichtte altijd onmiddellijk plaatsvonden. Ouweneel brengt daartegen in dat dat niet helemaal klopt en noemt het volgende:
a. De genezing van de blinde (Mk 8:22-25) geschiedde in twee fasen .
Commentaar: Maar dat is dan ook het enige voorbeeld waarvan dat geldt en de tweede behandeling volgde direct op de eerste;
Commentaar: Dat bewijst alleen dat satan zijn prooi niet zo gauw wilde loslaten, maar er was slechts ťťn bevel van de Heer nodig om de jongen te bevrijden. Dit proces duurde geen uren!!;
b. Bij de bevrijding van de maanzieke knaap (Mk 9:25-27) leek diens toestand eerst te verergeren.
c. de melaatsen (Lk 17:14) werden pas onderweg genezen.
Commentaar: Was dat “pas” na verloop van een lange tijd? Immers nee. Mayhoe wil met “onmiddellijk” toch niet meer zeggen dan dat er geen tijden over verliepen en er niet diverse behandelingen nodig waren?!;
d Er staat dat de Heer bezig was een boze geest uit te drijven (Lk 11:14). Het was dus niet een kwestie van een vingerknip.
Commentaar: Dat laatste heeft Mayhoe toch zeker niet beweerd!! Als de Heer de blindgeborene behandelt, smeert hij slijk op zijn ogen en beveelt hem naar de vijver Siloam te gaan (Jh 9). Je kunt daarvan ook zeggen dat de Heer bezig was hem te genezen. Maar als de man in Siloam zich wast is hij terstond genezen;
e. WJO wijst op wat hij het Lazarusprincipe noemt. De Heer zelf wekte Lazarus op uit de dood , maar alles wat de mensen verder aan hem konden doen liet Hij aan hen over.
Commentaar: Dit argument snijdt absoluut geen hout, want bij Lazarus deden de discipelen niets dat met de opwekking van Lazarus te doen had of met wegwerken van de nawerking van de doodssituatiie. Ze moesten hem alleen bevrijden van de doeken waarmee hij omwonden was zodat hij vrij lopen kon.

Dit soort argumentatie van WJO vind ik echt hem onwaardig!! Het 'niet helemaal onmiddellijk’ behandelt hij alsof er stond 'helemaal niet onmiddellijk’ en hij gaat voorbij aan wat Mayhue bedoelt te zeggen met 'onmiddellijk’.

Ik voeg er nog dit aan toe: de knecht van de hoofdman werd door de Heer “op afstand” genezen en er staat kenmerkend bij: “En zijn knecht werd op dat uur gezond”. Zie ook Jh 4:52 waar uitdrukkelijk vermeld wordt dat de knecht genezen werd op het uur dat de Heer over zijn genezing gesproken had !!

Gods ontferming
Ouweneel legt er - zoals reeds aangegeven - de nadruk op dat de genezing van zieken niet alleen diende om te bewijzen dat Hij de Messias was maar omdat Hij met ontferming over hen bewogen was. Hij vermengt hier echter twee dingen en wel de innerlijke beweegreden bij de Heer en bij God met het uiterlijke effect ervan namelijk het bewijs dat ervan uitging dat Christus de Messias was.

Bij het commentaar dat WJO geeft met betrekking tot de opmerking dat Hb 13:8 niet zegt dat Christus altijd hetzelfde doet (blz. 115,116), wil ik erop wijzen dat Hb 11: 32-38 laat zien dat God in eenzelfde bedeling met gelovigen een verschillende weg gaat, zie het keerpunt in vers 36. Ook God is gisteren en heden dezelfde en zijn ontferming was voor de een niet anders dan voor de ander, toch handelde Hij destijds niet met allen op dezelfde wijze en dat geldt voor Jezus Christus in deze tijd precies zo. Jacobus werd gedood met het zwaard, Petrus werd bevrijd (Hd 12:1-17; zie ook “De zogenaamde gebedsgenezing”, blz. 13,14)

Markus 16
Met par. 4.2 (blz. 116) komt WJO ter zake en behandelt hij datgene wat hij als titel aan hoofdstuk 4 heeft gegeven, namelijk “tekenen volgen de gelovigen” (zie blz.107).
In hoofdstuk 4 merkt hij goede dingen op waarbij ik “okť, mooi”opmerk, maar hij maakt ook opmerkingen waarbij ik “nou, en?” zeg. Ik ga daar echter niet verder op in en beperk mijn commentaar tot de bespreking van Mk 16:14-20 en wat daarmee annex is.

Bij de behandeling van dit onderwerp behoren m.i. de volgende vragen gesteld te worden:
I. wat is de bedoeling van tekenen en wonderen ?;
II. in welke situatie laat God tekenen gebeuren?;
III. behoren tekenen in feite tot deze tijd?;
IV. wat leert ons de Schrift over hen die de tekenen deden (doen)?

Op de eerste vraag geeft Mk 16 al een antwoord, want we lezen in vers 20
“En zij gingen uit en predikten overal, terwijl de Heer meewerkte en het woord bevestigde door de
tekenen die daarop volgden”.
Tekenen dienen dus als bevestiging van de prediking. Eenzelfde uitspraak komen we in Hb. 2: 3 ,4 tegen. Daar staat dat over de grote behoudenis aanvankelijk is gesproken door de Heer en (dat) die aan 'ons’ bevestigd is door hen die het gehoord hebben, terwijl God bovendien meegetuigde”zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van de Heilige Geest naar zijn wil”.

Dit medegetuigenis van de tekenen vinden we ook in Hd 14: 3 waar het gaat om de prediking van Paulus en Barnabas. Let erop dat er sprake is van tekenen en wonderen die door hun handen gebeurden.

Hierbij mag ook wel het woord van Petrus aangehaald worden dat hij de Joden voorhield op de Pinksterdag te Jeruzalem. Deze woorden luidden:
Mannen van IsraŽl , hoort deze woorden: Jezus de NazoreeŽr , een man , door God aan u bevestigd door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden heeft gedaan (Hd 2: 22).

Tekenen dienen dus tot bevestiging van de boodschap en van de boodschapper. Bij de verdere bespreking zullen we dit goed moeten vast houden.

De tweede vraag staat in nauw verband met de eerste. Als tekenen bedoeld zijn als bevestiging van een boodschap en / of de boodschapper dan mogen we tekenen verwachten waar God mensen uitzendt om het evangelie te prediken. Het gaat dan niet om het verrichten van tekenen op zichzelf, maar om bevestiging van de prediking door de tekenen. We kunnen spreken van tekenen in “zendingssituaties” waarbij we het woord “zending” in ruime zin moeten nemen.

De derde vraag heeft te maken met de uitspraak in Hb 6:5 waar de term “krachten van de toekomende eeuw” gebruikt wordt. Het zijn dus krachten die thuis horen in de toekomende eeuw en wel als Jezus Christus zijn koninkrijk opricht en die dan in vervulling zullen gaan. Het zijn krachten die behoren bij het koninkrijk. WJO vestigt daar terecht de aandacht op (blz 117) en verwijst naar Js. 29:18; 32:1,3; 33:24; 35:5 maar een verdere conclusie verbindt hij er niet aan..

Toch werden (worden) die krachten in “deze eeuw” verricht, wat zegt dat? Toen Joh. de Doper optrad verkondigde hij het evangelie van het koninkrijk (echter zonder tekenen te verrichten), de Heer en zijn discipelen predikten dat koninkrijk ook. De boodschap was dat het koninkrijk nabij gekomen was (zie de combinatie met het doen van tekenen in Mt 10:7). Zou IsraŽl zich bekeerd hebben dan zou het koninkrijk zijn opgericht. Dat geldt zelfs na de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag zoals uit Hd. 3:17-21 blijkt. In die verzen is sprake van de wederkomst van Christus en de tijden van de herstelling van alle dingen waarvan de heilige profeten van oudsher af gesproken hebben.
Daar waar de predikihg van het koninkrijk plaatsvond (Hd 8:12) werd als het ware de toekomende eeuw “naar voren getrokken” door de krachten van die eeuw te laten gebeuren.
Uit de Schrift weten we dat het koninkrijk in deze tijd een verborgen vorm heeft aangenomen zoals o.a. uit de gelijkenissen van Mt.13 blijkt.
Volgens mij is in verband met dit gegeven de vraag gerechtvaardigd of deze tekenen dan wel tot aan het eind van deze eeuw zullen blijven geschieden want ze zijn niet kenmerkend voor deze eeuw, maar voor de toekomende. Deze gedachte is het overwegen wel waard!!

Voor het antwoord op de vierde vraag moeten we ons wenden tot wat de Schrift zegt over het verrichten van tekenen. Daarmee is nauw verbonden de uitleg van Mk 16:15-18.
Vooraf daaraan nog een opmerking over uitleggingen die uitgaan van wat er niet staat in dit gedeelte. Er staat niet dat het volgen van de tekenen beperkt is tot een bepaalde tijd, maar er staat evenmin dat de tekenen altijd de gelovigen zullen blijven volgen. Je baseren op iets wat er niet staat is altijd speculatief en ik wijs beide speculaties af. We moeten afgaan op wat er in die verzen wel staat en wat de Schrift er verder over ontvouwt

Zullen de gelovigen volgen
Welnu er staat dat de tekenen de gelovigen zullen volgen. Op grond van deze uitspraak zijn er uitleggers die menen dat aan alle gelovigen het doen van tekenen is toegezegd. Anderen menen dat deze verzen niet meer zeggen dan dat gelovigen deze tekenen zullen meemaken die door predikers worden verricht. Ik laat deze twee gedachten even naast elkaar staan en geef ze slechts ter overweging. belangrijker is echter dat we dit hele tekstgedeelte aan het woord laten. Het begint in vers 15 met een zendingsbevel “Gaat heen in de hele wereld en predikt het evangelie aan de hele schepping”. Dit bevel wordt gegeven aan de “elven”, zie vers 14. Tot de elven is het uiteraard niet beperkt, maar voor de uitleg van de volgende verzen is het wel van belang dit eerst te verdisconteren.
Alle gelovigen worden opgeroepen om getuigen van de Heer Jezus te zijn, en we zien dat zelfs degenen die vervolgd werden aan die opdracht gehoor gaven (Hd 8:4; 11:19-21;) maar niet alle gelovigen worden uitgezonden om te gaan prediken.
Vervolgens geeft de Heer een opsomming van de tekenen die de gelovigen zouden volgen en lezen we de vervulling van zijn opdracht in vers 19, 20 “En zij gingen uit en predikten overal, terwijl de Heer meewerkte en het woord bevestigde door de tekenen die daarop volgden”.
Als we bij de tekst blijven dan kunnen we niet anders zeggen dan dat er predikers uitgingen en dat God hun prediking bevestigde door de tekenen te laten geschieden. De tekenen zijn verbonden aan het prediken!!

Wat zegt het boek Handelingen?
Dat uitgaan van de predikers heeft niet eerder plaatsgevonden dan nadat de Heer was opgestaan, ten hemel was gevaren en de Heilige Geest had gezonden (verg. Jh 15: 26). De vervulling van Mk 16:15 -18 zullen we dus in eerste instantie in het boek Handelingen vermeld zien.
De eerste vermelding treffen we aan in Hd. 2:43 waar we de woorden lezen:
“en vele wonderen en tekenen gebeurden door de apostelen”.
Een tweede vermelding vinden we in Hd 5:12:
“ Door de handen van de apostelen nu gebeurden vele tekenen en wonderen onder
het volk”.
Dit is een vervulling van het gebed van Hd 4: 29-31. De gelovigen bidden dat de slaven van de Heer het woord van God met vrijmoedigheid mogen spreken. De vervulling daarvan vinden we in vers 31. Daarnaast bidden ze dat God zijn hand wil uitstrekken tot genezing en tekenen en wonderen gebeuren door de naam van uw heilige knecht Jezus. De vervulling daarvan beschrijft hfst 5:12 en dan wordt vermeld dat de apostelen deze tekenen verrichten.

Een bijzondere vermelding verdient Hd 5:15 want daar staat dat zelfs als de schaduw van Petrus op zieken viel deze genezen werden. Ook mag wel gewezen worden op het feit dat Petrus iemand uit de doden heeft opgewekt (zie Hd 9:32-41).

Dat we het woord “apostelen” niet moeten beperken tot de twaalven kunnen we afleiden uit Hd 6: 8. In dat vers lezen we dat Stefanus, vol van genade en kracht, wonderen en grote tekenen deed onder het volk. Stefanus was een gezondene tot het volk die een geweldig getuigenis gaf van de Heer Jezus. Zijn getuigenis bleef tot het volk beperkt, het werd afgebroken doordat men hem ter dood bracht.
Vervolgens lezen we dat Filippus afdaalt naar Samaria en de Samaritanen het evangelie predikt. De mensen horen zijn prediking en zien de tekenen die hij deed (8: 6, 13). Het woord “apostel” betekent “gezondene” en in die zin kunnen we Stefanus en Filippus tot de apostelen rekenen.

Ouweneel wijst hier terecht ook op en noemt nog het voorbeeld van de zeventigen ( zie Lk 10:1-20), maar zijn vermelding van het spreken in talen door de 120 op de Pinksterdag acht ik niet terzake. Het gaat daar niet over een prediking die bevestigd werd door tekenen, maar om een teken waarvan Petrus de betekenis gaat uitleggen. Dat teken bewijst namelijk dat de Heilige Geest op aarde is uitgestort en daarmee de profetie van JoŽl in principe in vervulling is gegaan. Dit is dus een heel bijzonder geval Terloops wil ik hierbij nog opmerken dat hier in bestaande talen werd gesproken.
Ook het voorbeeld van Ananias is niet doorslaggevend. Ook hier vindt geen prediking plaats die door een teken wordt bevestigd, maar verricht Ananias een teken dat hem ten behoeve van Paulus opgedragen was. Ook dit is een bijzonder geval waarbij het best kan zijn dat Ananias meer wonderen heeft verricht, maar dat wordt hier niet vermeld en we moeten bijzondere gevallen niet gebruiken om een algemene leer te ondersteunen.

Het getuigenis van het boek Handelingen gaat verder en in Hd 13:4 lezen we dat Paulus en Barnabas uitgezonden worden door de heilige Geest . Deze zending is niet beperkt tot het Joodse volk in het land of tot de Samaritanen in hun gebied. Het evangelie gaat de wereld in om daar “eerst aan de Jood, maar ook aan de Griek” gepredikt te worden.
We merken dan op dat Paulus op Cyprus een teken verricht ook al wordt dat niet met die term aangeduid. Door de hand van de Heer slaat hij namelijk Barjezus (ook Elymas genoemd) met blindheid (13: 10-12). Vervolgens lezen we in 14: 8-11 dat Paulus te Lystra een verlamde man geneest. Let erop dat hij :(1) onderkende dat deze man geloof had om behouden te worden en (2) dat hij hem een bevel gaf om op zijn voeten te gaan staan.

Banabas en Paulus behoorden net zomin als Stefanus en Filippus tot de twaalven die speciaal apostelen genoemd worden, maar in 14:14 worden beide mannen als apostelen aangeduid (zie ook 14: 3, 4).Van beiden wordt gesproken over grote tekenen en wonderen die God door hen onder de volken had gedaan. (Hd.15: 12)
Vermeldenswaard is nog dat van Paulus net als van Petrus getuigd wordt dat hij buitengewone krachten deed, want zweetdoeken en gordeldoeken van zijn lichaam deden ziekten wijken en boze geesten uitgaan (zie 19:11,12). Ook Paulus wekt een dode op zoals hfst 20:7-12 aangeeft. Let erop dat niet een van de andere gelovigen uit de bovenzaal dit deed, maar speciaal Paulus. Hiermee is het getuigenis van het boek Handelingen ten einde, maar er is meer.

De tekenen van een apostel
Er is een belangrijke uitspraak van de apostel Paulus opgetekend in 2 Ko 12:12. Hij stelt daar “de tekenen van een apostel zijn onder u met alle volharding verricht door tekenen, wonderen en krachten”. Deze uitspraak zou iedere zin verliezen als elke gelovige zulke tekenen en krachten zou verrichten. Tekenen zouden dan niet een teken zijn van apostelschap (als-prediker-uitgezonden-zijn), maar van christen - zijn.
De Schrift laat duidelijk zien dat de tekenen volgden op de prediking van christenen, die gezonden waren om de boodschap van het evangelie te brengen dus in een “zendingssituatie” of “gezonden-zijn-situatie”.
Nu kun je stellen dat de uitdrukking “de tekenen van een apostel” niet hoeft te betekenen dat het aan hen voorbehouden was deze tekenen te doen, maar dat het hen wel kenmerkte, dus zonder tekenen ben je geen apostel. Je kunt dit echter ook omdraaien en stellen dat iemand die predikt en deze tekenen verricht er blijkt van geeft een apostel te zijn. Daarbij moeten we dan het woord “apostel” zoals al eerder aangegeven in ruime zin nemen namelijk van iemand die gezonden is om te prediken, zodat Filippus en anderen er bij inbegrepen zijn.

Als Ouweneel zegt dat Mk16:17 een belofte is die elke gelovige zich eigen mag maken (zie blz 120/121) dan maakt hij deze tekst los van de context en gaat hij voorbij aan de les die het boek Handelingen en andere hierboven aangehaalde Schriftgedeelten ons voorhouden. Wel brengt hij op blz. 121 een nuance aan. Eerst stelt hij dat alle gelovigen deze tekenen in hun geloofsleven kunnen ervaren, maar merkt dan later op dat slechts sommige gelovigen in dit opzicht een geregelde bediening hebben. Daarmee beperkt hij wat hij eerst gezegd heeft en gaat hij voorbij aan het bevestigend karakter van de tekenen ten opzicht van prediking.

1 Korinthe 12 dan?
Op dit bijbelgedeelte gaat WJO in het volgende hoofdstuk in, maar in verband met het voorgaande wil ik er toch al even een opmerking over maken. De stelling die ik hiervoor verdedigd heb, namelijk dat de tekenen door apostelen (let wel: apostelen in de ruime zin van “gezondenen waar en in welke tijd dan ook”) verricht werden en worden lijkt door dit bijbelgedeelte 'onderuit gehaald “ te worden. We lezen namelijk in 1 Ko 12:28-30 dat in deze verzen genadegaven van genezing en het spreken in talen - die beide zaken worden in Mk 16 onder de tekenen geschaard - hier genoemd worden naast de gave van apostelen. Het valt niet te ontkennen dat dit ons voor een probleem stelt. Dat probleem is echter niet zo groot, we moeten namelijk op de verschillen letten tussen wat Paulus opmerkt over de tekenen van een apostel en wat hij hier schrijft over de gaven in de gemeente.
Ten eerste schrijft de apostel in 2 Ko 12:12 over de tekenen van een apostel in het meervoud en preciseert hij ze met de woorden “door tekenen, wonderen en krachten”. Dat loopt parallel met het hele scala van zaken die in Mk 16:17 en 18 wordt opgesomd. In 1 Ko 12 heeft de apostel het over een enkele gave die aan een persoon is toebedeeld en een andere gave aan een ander, niet over meerdere gaven aan een persoon.
Ten tweede spreekt Paulus in 1 Ko 12 niet over tekenen die de prediking begeleiden van hen die in de wereld zijn of worden gezonden, maar over gaven die dienen tot opbouw of stichting van de gemeente. Vanaf 1 Ko 11:17 tot 1 Ko 14:26 (vs 34) gaat het om het samenkomen van de gelovigen als leden van het lichaam van Christus en de onderlinge opbouwing. Een uitzondering maakt de apostel in 1 Ko 12:22 voor het spreken in talen. Normaliter is dat bedoeld voor ongelovigen die God horen grootmaken in hun eigen taal. Dat is dan een teken voor hen dat het heil ook voor de heidenen openstaat (vgl. Hd 2). In de gemeente mag alleen in talen gesproken worden als er ook een uitlegger is want het gaat om de stichting van de gemeente.
Wat ik heb opgemerkt over Mk 16:14-20 en 2 Ko 12:12 wordt dus niet door 1 Ko 12 ontzenuwd.


Europa zendingsgebied?
Er zijn uitleggers die stellen dat Europa opnieuw zendingsgebied geworden is door de afval van het christendom en dat we dus ook hier weer tekenen, wonderen en krachten mogen verwachten en die mogen claimen.
Ten eerste moeten we opmerken dat er nog altijd een getrouw christelijk getuigenis is in diverse landen van Europa. De afval is dus gedeeltelijk, niet totaal.
Ten tweede geldt dat men daarover zo kan denken, maar de vraag is alleen of de Here God er ook zo over denkt en of hij hier nog een dergelijk medegetuigenis door tekenen, wonderen en krachten zoals we in het boek de Handelingen aantreffen op de prediking wil geven.

Grotere werken dan deze
Terloops nog een enkel woord over de uitspraak van de Heer dat de discipelen grotere werken zouden doen dan Hij deed (Jh 14:12) . Er zijn gelovigen die onder het woord “grotere” verstaan dat er tekenen zouden gebeuren die meer opzien zouden baren dan die van de Heer. Maar heeft er ooit iemand iets gedaan dat groter is dan de opwekking van Lazarus wiens lichaam al tot ontbinding was overgegaan??
Andere uitleggers zien de grotere werken in het resultaat van de prediking waarbij duizenden tot bekering kwamen (komen). Denk aan de prediking op de Pinksterdag.
Zelf geef ik de volgende gedachte ter overweging: we mogen hierbij denken aan de bijzondere werken die gebeurden door Petrus wiens schaduw op zieken viel waardoor ze tot genezing kwamen en op het feit dat gordels en zweetdoeken van Paulus die op zieken gelegd werden genezing brachten. Iets dergelijks was bij de Heer niet het geval.

Zoals gezegd plaats ik bij hoofdstuk 4 verder geen notities. Daardoor zou namelijk de de aandacht afgeleid worden van de punten die ik hiervoor heb genoemd als commentaar bij Mk 16:14-20. Die punten wil ik wel graag in overweging geven.