Snel zoeken:
Notities bij het boek ĎGeneest de ziekení Ė hoofdstuk 10

ZIEKENZALVING (Hfst 10)

In par.10.1.1 worden zeven redenen opgesomd waarom Jk 5:14-16 door velen niet meer wordt toegepast. Bij punt 3 beroept men er zich soms op dat Paulus dit voorschrift niet overneemt en niet toepast (zie verderop) en het dus niet voor ons geldt. WJO is niet onder de indruk van deze redenen en ik ben dat ook niet hoewel ik voor sommige ervan wel begrip kan opbrengen.

Bij punt 5 wil ik opmerken dat WJO over 'gaven van genezing” spreekt. Volgens mij gaat het echter n Jk 5 niet om het uitoefenen van een gave van genezing maar om genezing op gebed. Dat is evenwel een onderscheid dat - zoals eerder al gezegd - WJO verwerpt. Een andere zaak is dat we Jk 5 moeten toepassen in de gevallen die Jakobus op het oog heeft en zoals ik in mijn “Verantwoording” al aangaf kan ik dat alleen zien in verband met ziekte die het gevolg is van zonde.

In 10.1.2 oppert Ouweneel - mijns inziens - terecht dat het niet om een griepje of iets dergelijks gaat maar om ernstige ziekte (blz. 350 bovenaan). Opnieuw wijst hij de hulp van de dokter niet af hoewel we altijd eerst de kwaal in gebed bij God moeten brengen. Met de rest van deze paragraaf kan ik ook instemmen

In par 10.1. 3 acht WJO het geen strikte regel dat het initiatief van de zieke uitgaat. Ik ben het in zover met hem eens dat oudsten de zieke op deze mogelijkheid attent kunnen maken, maar dan moet het verzoek om de zalving toe te passen wel van de zieke uitgaan. Het minste is dat de patiŽnt met de behandeling accoord gaat. In het onderwijs in de gemeente kunnen deze verzen trouwens algemeen ter sprake komen.

Op blz. 352 noemt Ouweneel de mogelijkheid dat er zonde in het spel is. Ik wil hier de redenen aangeven waarom ik denk dat dit niet slechts een mogelijkheid is. Het zijn de volgende:

* in vers 15 wordt voorwaardelijk gezegd “als hij zonden gedaan heeft , zal het hem vergeven worden,” maar in vers 16 wordt de volgorde omgedraaid en lezen we “ belijdt dan elkaar de zonden en bidt voor elkaar, opdat u gezond wordt”. Daar wordt het belijden van zonden voorop gesteld;
* voor Joden (zie aanhef van de brief) was de combinatie ziekte-zonde gewoon. Dat ze daar soms te ver in gingen zien we in Jh 9:2. De discipelen nemen daar de theorie van de FarizeeŽn over dat een kind al in de moederschoot kon zondigen. Dit neem echter niet weg dat de Heer in Jh 5: 14 het verband tussen ziekte en zonde legt en dit in het geval van de verlamde man kennelijk ook doet want hij begint met de zeggen : “Uw zonden zijn vergeven” (Mt 9:2). Dit moeten wij bij het overdenken van deze verzen niet uit het oog verliezen;
* het feit dat de persoon de oudsten van de gemeente bij zich moet roepen is begrijpelijker als het gaat om iemand die vanwege zonde ziek geworden is. Er moet dan namelijk ook een herstel plaatsvinden in verband met de verhouding tot de gemeente;
* Jakobus haalt het voorbeeld van Elia aan. Het eerste gebed van Elia had te maken met kastijding over de zonde van IsraŽl. Zijn tweede gebed betrof de opheffing van die tuchtiging. Er is daar dus duidelijk een verband met zonde;

Uit het feit dat de apostel Paulus dit voorschrift van Jakobus niet aanbeveelt in het geval van de ziekte van enkele van zijn medewerkers (Trofimus, Epafroditus, TimotheŁs) mogen we dus niet concluderen dat dit voorschrift voor ons geen betekenis heeft. Wel kunnen we voorzichtig de conclusie trekken dat hij dat niet doet omdat in die gevallen de ziekte geen gevolg was van zonde.

Bij punt (b) op blz. 352 wijst WJO erop dat er geloof nodig is en dat in het bijzonder bij de oudsten. Minder gelukkig ben ik met zijn opmerking dat dit gebed ook in de samenkomst kan plaatsvinden. Dat de zieke de oudsten “bij zich” moet roepen kan toch moeilijk op iets anders zien, dan “bij zich thuis” en dat vooral als we zoals gezegd aan een ernstige ziekte denken. Deze opmerking van WJO kunnen we scharen in het rijtje van speculatieve gedachten zoals hij er al verschillende geuit heeft. Ook ben ik - om eerder genoemde redenen - niet gecharmeerd van het feit dat hij William Branham weer ter sprake brengt .

Bij punt (b) op blz. 354 wil ik opmerken dat ook bij de apostelen geen genezing plaatsvindt op grond van gebed. Dat wil niet zeggen dat zij niet baden voor zichzelf, bijv. om persoonlijk kracht. Nergens lezen we echter dat ze met de zieke baden, ook niet in Hd. 28:8. Ik blijf dus bij mijn onderscheid tussen genezing op gebed en genezing door het uitoefenen van de gave van genezing. Over de kracht van het gebed zegt WJO goede dingen, maar de opmerking over het “doorheen bidden’ laat ik maar voor de rekening van Derek Prince en van hemzelf daar hij , WJO, deze opmerking ondersteunt.
Het vijfstappenplan van John Wimber laat ik voor wat het is, er staan wel goede dingen in.

De betekenis van de olie: aan wat WJO hierover opmerkt wil ik nog toevoegen dat het zalven met olie symbolisch kan zien op de werking van Heilige Geest waardoor de zieke hersteld. De behandeling van het probleem of we de olie naast de gewone terapie kunnen gebruiken is behoorlijk uitgewogen.

Par 10.3.3 geeft een herhaling waarbij ik wil verwijzen naar mijn vroeger commentaar op “berusting”. De uiteenzetting die WJO vervolgens geeft over het verschil tussen ziekte en lijden is erg duidelijk

Of alle gezalfden gezond worden hangt weer af van ons zicht op de oorzaak van de ziekte. Er zijn natuurlijk voorwaarden die de voorbidders gelden. Er worden er een aantal zeer terecht opgesomd (blz. 366-368) maar ik denk dat als er gebeden wordt in geloof en de ziekte ten gevolge van zonde betreft, dat als de zonde oprecht beleden is er genezing zal volgen,. We kunnen dan de woorden “de Heer zal hem oprichten” in volle en absolute zin nemen.
Als de zieke om zalving vraagt daar waar geen zonde in het spel is en die zalving toegepast wordt dan kunnen we m.i. niet absoluut uitgaan van verhoring. Ik zou trouwens de zalving in zo’n geval niet per se weigeren, maar de zieke wel waarschuwen dat de zalving in dat geval niet genezing met zich mee hoeft te brengen.

Over de voorwaarden bij de zieke maakt WJO op zichzelf waardevolle opmerkingen. Maar diverse condities die WJO opsomt onder punt 10.4.3 hebben m.i. niet met Jk. 5 te maken hoewel er waardevolle zaken bij vermeld worden.

Over de vraag waarom zieken niet genezen worden maakt Ouweneel zinnige opmerkingen, maar wat punt 6 betreft over het breken met vloeken wil ik verwijzen naar wat ik daar eerder over heb opgemerkt. Dat vloeken die mensen zo maar over andere mensen uitspreken een uitwerking zouden hebben tref ik in de Schrift niet aan! Ook met de opmerking van Victor Emenike ben ik niet gelukkig. Ook hier mis ik de bijbelse onderbouwing. Geloven in een genezing waarvan je de symptomen niet kwijt bent of er voor danken vind ik onnuchter. De argumentatie van WJO over het niet onmiddellijk gebeuren waarbij hij spreekt over het vijgeboomprincipe en het lazarusprincipe snijdt absoluut geen hout. Mt 21 20 zegt dat de vijgeboom onmiddellijk verdorde en dat de discipelen dat zagen. Mk 11:20 zegt niet dat boom pas de volgende dag verdorde, maar betuigt dat de discipelen de volgende dag zagen dat hij verdord was en dat van de wortels af. Zij komen dus terug op wat er de vorige dag gebeurd was en ze toen (ten dele ?) al gezien hadden. Ouweneel speelt hier de ene tekst tegen de andere uit, maar hij leest niet nauwkeurig wat er staat.
Het vijgeboom-principe is net als het lazarusprincipe een vinding van Ouweneel zelf, maar niet een principe dat we in de Schrift vinden en dat we ook zouden mogen toepassen op genezing die niet direct plaatsvindt.

Het slotwoord 10.5.2 geeft geen stof tot nadere bespreking, ik onderstreep alleen dat er inderdaad “verborgen dingen zijn” die wij niet doorzien.