Snel zoeken:
161 jrg 118, 04-1975 De droom van Nebukadnezar en het ontwaken van Europa 4

In het vorige artikel hebben we getracht aan te tonen dat de "waardedaling" van goud tot ijzer, zoals die in het droombeeld van Nebukadnezar tot uiting kwam, een afspiegeling is van het steeds geringer wordend gezag van deze verschillende rijken. Dat illustreerden we aan de hand van de geschiedenis.
Aan het slot van dat artikel wierpen we de vraag op of "de tien tenen" van het beeld reeds in de geschiedenis gestalte hebben gekregen, en wat de betekenis is van de steen die de hele aarde vervult.
We willen daaraan nu uitvoerig aandacht schenken.

Zijn de tenen er al (geweest)?

Koning Nebukadnezar zag in zijn droom het "statenbeeld" niet langzamerhand ontstaan. Het werd hem direkt in zijn komplete vorm getoond. Hij kreeg ook te zien wat er in de verre toekomst met het hele beeld zou gebeuren. De bijbel zegt dat zo:

"Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en leem en deze verbrijzelde" (Dan. 2:34).

Het volgende vers zegt uitdrukkelijk dat de verbrijzeling niet alleen de voeten van ijzer betrof, maar ook het leem, het koper, het zilver en het goud. Het hele beeld werd als kaf op de dorsvloer verpulverd, zodat de wind het meenam en "er geen spoor meer van te vinden was".

Maar daarmee was de droom niet uit. Nebukadnezar zag ook hoe de steen, die het beeld getroffen had, tot een grote berg werd, die de hele aarde vervulde.

We hebben er al op gewezen dat de verschillende onderdelen van het beeld, gemanifesteerd in diverse rijken, pas geleidelijk voor het voetlicht traden. Eerst het hoofd, dat een voorstelling is van het Babylonische rijk; daarna de borst en armen (het Medisch-Perzische rijk); dan de buik en de lendenen (het Grieks-Macedonische rijk) en ten slotte de benen (het Romeinse rijk). Dat de voeten en tenen tot het Romeinse rijk behoren, hebben we ook al eerder besproken. Het ijzer van de benen is namelijk ook een bestanddeel van de voeten en tenen (vs. 41 ).

Als we nu vanuit onze tijd terugkijken in de geschiedenis, kunnen we dan, net als Nebukadnezar in zijn droom, het komplete beeld zien? Als dat het geval zou zijn, dan moeten de voeten en de tenen ook in een of andere vorm in de geschiedenis terug te vinden zijn.

Was er in het verleden een tienstatenrijk?

Hoewel de voeten en tenen, zoals gezegd, in het beeld deel uitmaakten van het Romeinse rijk, is er toch een onderscheid tussen de benen en de voeten. Deze laatste waren niet louter van ijzer, maar bestonden deels uit ijzer en deels uit leem. Volgens Dan. 2:43 betekent dit dat het ijzer en het leem geen samenhangend geheel vormen. Dat betekent dus, dat de hardheid van het ijzer als zodanig wel behouden blijft, maar dat er een zacht element bijkomt en beide gemengd worden, zonder zich aan elkaar te hechten, dus zonder een eenheid te vormen.

Daaruit kunnen we konkluderen dat in het Romeinse rijk (het laatste deel van het statenbeeld), een struktuurverandering zou plaats vinden. We moeten dus de vraag onder ogen zien of dit in het verleden al heeft plaats gevonden.

Er is echter niet alleen sprake van een innerlijke struktuurverandering, ook uiterlijk vindt er een verandering plaats. Er wordt namelijk niet alleen over de voeten, maar ook over de tenen van het beeld gesproken (vs. 42). Dat houdt dus in, dat het Romeinse rijk in zijn eindfase tiendelig moet zijn (geweest?). Dat de tenen inderdaad deze tiendeling voorstellen, wordt bewezen door hoofdstuk 7 waar sprake is van tien koningen of koninkrijken, maar daar hoop ik later dieper op in te gaan.

We hebben dus nu twee vragen opgeworpen nl.:

Is er in Het verleden in het Romeinse rijk door struktuurverandering een situatie ontstaan die te vergelijken is met de vermenging van ijzer en leem?

Heeft er een tiendeling in het Romeinse rijk plaats gehad?

Als alle rijken, die in het beeld van Nebukadnezar worden voorgesteld er, zoals sommigen beweren, in het verleden zijn geweest, dan moet op deze vragen een duidelijk bevestigend antwoord gegeven kunnen worden.

En de steen zonder handen afgehouwen ....

Bij deze vragen voegt zich nog een derde en die is de belangrijkste van allemaal, namelijk:

Is het beeld soms ook al aan de voeten geslagen door de steen, die zonder menselijk toedoen is losgeraakt? en is die steen al tot een grote berg geworden, die de hele aarde vervuld heeft?

De beantwoording van deze derde vraag staat of valt met de betekenis, die we aan de steen toekennen en wat we verstaan onder het vervullen van de hele aarde.

Of om het nog anders te zeggen, met een beroep op de uitleg die DaniŽl in vs. 44 gaf: de beantwoording hangt af van de betekenis die we toekennen aan "het koninkrijk, dat in eeuwigheid niet zal tegronde gaan".

Het Romeinse rijk bestaat toch niet meer!

Bij een beantwoording van de hiervůůr genoemde vragen komt heel wat om de hoek kijken. Er zijn uitleggers die deze hele kwestie eenvoudig vinden. "Het vierde rijk", zo zeggen ze, "bestaat toch allang niet meer. In 476 is het hier in het Westen door de Germaanse volken onder de voet gelopen en in het Oosten sudderde het nog wat door tot 1453, maar toen was het er ook daarmee gedaan. De hele droom moet dus al in vervulling zijn gegaan".
Dit lijkt in zijn algemeenheid een redelijke benadering van het vraagstuk, maar deze uitleggers komen met de handen in het haar te zitten als hen gevraagd wordt een konkreet antwoord te geven op elk van de drie hiervůůr genoemde vragen.

Daarbij loopt hun uitleg vooral stuk op de derde vraag: "WŠŠr is in het verleden "het rijk van de steen" zichtbaar geworden?"

Sommigen menen dit rijk te herkennen in het christendom. Terecht zien ze in de steen een beeld van Jezus Christus. Hun fout is dat ze het losraken van de steen betrekken op de eerste komst van Jezus Christus, op zijn geboorte en wat daarop is gevolgd. Hun uitleg faalt echter op de volgende punten:
-bij de eerste. komst van Jezus Christus is het koninkrijk niet opgericht. De bede "Uw koninkrijk kome, uw wil geschiede zoals in de hemel, zo ook op aarde" is toen niet in vervulling gegaan. De discipelen meenden wel, dat het koninkrijk Gods terstond openbaar zou worden (Luk.19), maar de Heer vertelde hun dat Hij weg zou gaan naar een ver land om een koninkrijk te ontvangen en dat Hij daarna zou terugkeren (vs. 12);
- het feit, dat het christendom het heidendom in het Romeinse rijk verdrong en zelf staatsgodsdienst werd, kan onmogelijk beschouwd worden als de vernietiging van het beeld; evenmin is het de vervulling van de profetie dat de steen tot een grote berg werd, die de hele aarde vervulde.

Deze verklaring baseert zich op het geschiedkundige feit, dat het Romeinse rijk niet meer bestaat. Dat feit is voor deze verklaarders doorslaggevend. Men vraagt zich echter niet af of die vernietiging van het Romeinse rijk in het verleden wel de definitieve ondergang geweest is, zoals die in DaniŽl 2 genoemd wordt.

Bovendien houdt men betreffende het Romeinse rijk geen rekening met andere Schriftgegevens, die duiden op een onderbreking in het bestaan ervan. Deze verklaring kunnen we dus laten voor wat ze is.

Waren "de tenen" er al in het verleden?

Een andere verklaring, is die van de Zwitser Gaussen. Hij zegt dat de tien tenen in het verleden al verschenen zijn. In die zin is volgens hem het beeld kompleet. Onder de tenen verstaat hij dan in eerste instantie de tien Germaanse rijken, die na het Romeinse rijk zijn ontstaan. En vervolgens de rijken die in het Westen daarvoor in de plaats zijn gekomen. Volgens hem kun je altijd, de eeuwen door, tien rijken in Europa aantreffen. We kunnen het dus ook zo stellen, dat Gaussen de tenen "laat doorlopen" tot aan de eindtijd. Daarbij wijst hij op het Romeinse karakter dat deze rijken hebben behouden in zeden, rechtspraak, kultuur, enz.

Tegen het laatste is natuurlijk niets in te brengen, maar tegen het andere zoveel te meer.

Ten eerste zijn er nooit tien Germaanse staten tegelijk ontstaan. Integendeel, de eerste die ontstond werd gevestigd in ca. 406, dus als inkruipsel in het Romeinse rijk, en de laatste staat, die van de Longobarden, ontstond in 568. In de tweede plaats hebben deze tien staten nooit tegelijk naast elkaar bestaan. Vervolgens zijn er meer dan tien rijkjes geweest. Gaussen gaat dus aan het schrappen om tot tien te komen. En helemaal spaak loopt het met het tellen van tien rijken in de loop van de daarop volgende eeuwen. Dit wordt willekeur tot en met. Terwijl er dan bovendien totaal andere rijken voor de eerste tien in de plaats komen. Minder dwaas is de uitleg, die Gaussen van het ijzer en leem geeft. Hij verstaat daaronder resp. de staatkundige en de kerkelijke macht.

Verschillende niet onaardige argumenten weet hij daarvoor aan te voeren. Maar ook die uitleg moeten we afwijzen. Als de metalen in eerste instantie het gezagselement tot uitdrukking brengen, dan moet hier dus een staatkundige afzwakking van het gezag mee worden aangeduid.

In de tweede plaats wordt in het boek de Openbaring het kerkelijk element niet als een onderdeel van het Romeinse rijk gezien. In hoofdstuk 17 wordt het daar geschilderd als een vrouw, die op het beest zit. Het leem wijst m.i. op nog meer volksinvloed, waardoor de besluitkracht wordt afgezwakt.

Voor ons verder betoog is de juiste kijk op het leem echter niet van overwegend belang.

Voor de volledigheid moet ik nog vermelden, dat Gaussen onder de berg de Kerk Gods verstaat en onder de steen "enig zwak gedeelte" van die Kerk, dat in de toekomst de kolos vernietigen zal. En dat zal geschieden op de jongste dag. Vervolgens zal die Kerk groeien en nog later zal ze de hele aarde vervullen in het Koninkrijk van Gods Zoon.

Uit het laatste leid ik af dat Gaussen chiliast is, waarbij hij na de wederkomst van Christus "de Kerk" nog een glorierijke toekomst op aarde toebedeelt. Deze uitleg is zo kenmerkend, omdat in de gedachtengang van Gaussen, onbewust waarschijnlijk de Kerk zo'n zwaar accent krijgt.

Onder de steen verstaat de Schrift namelijk niet de Kerk, maar de Heer Jezus Zelf (Luk. 20:17, 18) en het koninkrijk, dat Hij opricht bij zijn wederkomst. Met die korrektie zou het laatste deel van de visie van deze Zwitserse theoloog te handhaven zijn.

Zijn opvatting over de tien tenen, die zouden voorstellen:
- de tien barbarenrijken in het verleden en

- tien Europese rijken in de loop der eeuwen

is echter onhoudbaar, hoeveel moeite hij zich ook geeft om zijn idee aannemelijk te maken.

Interessant is dat hij van zijn argumenten daarvoor zegt:

"doch deze zijn genoegzaam tot wederlegging van sommige onlangs in Ierland uitgekomen geschriften, waarin men duisterheid tracht te verspreiden over de enige ware uitlegging van deze gewijde zinnebeelden" (De profeet DaniŽl, blz. 198).

Hij doelt hier natuurlijk op de werken van Darby. En, voor hen, die de Collected Writings van deze broeder bezitten, verwijs ik naar nummer 11 uit die reeks, waar Darby het hele systeem van Gaussen de revue laat passeren, voorzien van een uitgebreid en afwijzend kommentaar.

Hoeveel kritiek we overigens op de ideeŽn van Gaussen kunnen hebben, zijn opvatting is in ieder geval niet zo dwaas als de eerder besprokene, die beeld en steen, enz. tot het verleden rekenen.