Snel zoeken:
129 jrg 114, 08-1971 Het IsraŽlprobleem 07

EzechiŽl 10:4
Wat IsraŽl te wachten staat

In het voorgaande artikel over dit onderwerp hebben we aan de hand van diverse schriftplaatsen geschreven over het herstel van de staat IsraŽl in verband met de vervulling van de profetieŽn. Aan het slot van dit artikel hebben we opgemerkt, dat de terugkeer van IsraŽl, die wij in onze tijd waarnemen, geen vervulling is van een bepaalde voorzegging, maar voorwaarde om de profetieŽn te kunnen vervullen.

Ongetwijfeld neemt Jeruzalem een belangrijke plaats in als het gaat om de toekomst van IsraŽl. Nu Jeruzalem volledig in handen is van de IsraŽliís wordt wel beweerd, dat daardoor vervuld is de belofte dat deze stad niet meer door de heidenen vertreden zal worden.
Over dit onderwerp willen we nu het licht van wat de Schrift hierover zegt laten schijnen.

Jeruzalem niet meer vertreden?

Is deze kwestie nu van zoveel belang? Verspillen we er eigenlijk niet teveel woorden aan? Ik dacht van niet. Een goed uitgangspunt is namelijk voorwaarde voor een goed inzicht op de toekomst van IsraŽl, op dat wat IsraŽl te wachten staat. Een prognose van IsraŽls toekomst is namelijk niet te halen uit de krant, maar alleen uit de bijbel. Dan moeten we echter niet het verkeerde startpunt nemen. En dat doen sommigen. Namelijk zij, die beweren dat sinds de zesdaagse oorlog Jeruzalem niet meer vertreden wordt en de tijden van de volken voorbij zijn. Dan zet men IsraŽl op een punt in zijn geschiedenis waar het volk nog niet aan toe is. De grondoorzaak is, dat men het karakter van wat er in 1948 enz. is gebeurd niet kent en meent dat toen bijbelse profetieŽn zijn vervuld. Een duidelijk uiteenzetten van deze kwestie is dus niet overbodig.
Een andere oorzaak is klakkeloze schriftuitleg, waarbij Schrift niet met Schrift wordt vergeleken.
De tijden der volken zijn begonnen toen God zijn zetel te Jeruzalem ophief, zijn heerlijkheid de tempel verliet en Hij de autoriteit legde in handen van de volken (zie Ezech. 10:4, 18; 11:23 en Dan. 2:37, 38). De tijden der volken worden aangegeven in de droom van Nebukadnezar en omvatten de complete tijd van de vier wereldrijken. Aan die tijden komt pas een einde als ďde steen zonder mensenhanden afgehouwenĒ het ďbeeldĒ verpulvert en zelf tot een grote berg wordt. Dat wil zeggen als Jezus Christus wederkomt en zijn koninkrijk opricht.
Net zo min als de tijdelijke bevrijding van Jeruzalem in de dagen van de MaccabeeŽn een eind maakte aan de tijden van de volken, net zo min heeft de zesdaagse oorlog dat gedaan.
De tijden der volken vinden een dubbele afsluiting:

1. De bevrijding van Jeruzalem;
2. Het einde van de vier wereldrijken.

Een bevrijding van Jeruzalem die niet samenvalt met het tweede, met het einde van de vier wereldrijken, is op zichzelf geen eindpunt van de tijden der volken waarover de Heer in Luk. 21:24 heeft gesproken.

Het vierde wereldrijk

Ieder die kennis draagt van de profetie van DaniŽl aangaande het statenbeeld (Dan. 2) en de vier dieren (Dan. 7) weet, dat er achter elkaar vier wereldrijken zouden ontstaan, die in de tijd dat de troon van God te Jeruzalem ďvacantĒ staat, de macht op aarde zouden uitoefenen. Deze rijken zijn in het verleden zichtbaar geworden als:

Ė het Babylonische rijk: het hoofd van goud of wel de leeuw;
Ė het Perzische rijk: de zilveren borst of wel de beer;
Ė het Griekse rijk: de koperen buik of wel de panter;
Ė het Romeinse rijk: de ijzeren benen of wel het vierde dier.

Het Romeinse rijk is echter uitťťn gevallen en van een oprichten van het koninkrijk van Jezus Christus is niets te zien geweest.
Dit probleem hebben de ďvergeestelijkingstheologenĒ als volgt opgelost: Zij zagen in de steen zonder handen afgehouwen de komst van Jezus Christus in het vlees en de daarop volgende vestiging en uitbreiding van het christendom. Al weer is het niet moeilijk om aan te tonen dat hun uitleg ook hier totaal mank gaat. En wel om de volgende redenen:

1. Het christendom kwam op in een tijd toen het Romeinse rijk nog een periode
van grote machtsontplooiing tegemoet ging. De steen echter sloeg het beeld
en verpulverde het, voordat hij tot een berg werd die de hele aarde
vervulde.
2. Het christendom heeft het Romeinse rijk nooit vernietigd en ten onder
gebracht. Het is juist door het Romeinse rijk tot grote uitbreiding
gekomen en heeft zich met dit rijk vermengd.
De vernietigers van het rijk zijn juist de barbaarse, Germaanse
volksstammen geweest.
3. Ondanks wat Augustinus heeft beweerd, is het rijk van Jezus Christus niet
opgericht. Integendeel, de Heiland wacht nog steeds aan de rechterhand van
de Vader totdat zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank voor zijn
voeten.

Wil Dan. 2 en Dan. 7. in vervulling gaan, dan moet het vierde wereldrijk weer ontstaan. Pas als dit wereldrijk in zijn laatste optreden vernietigd is, zijn de tijden van de volken voorbij en wordt Jeruzalem niet meer vertreden.

Het beest uit de afgrond

De hier boven getrokken conclusie wordt bevestigd door vergelijking met andere schriftplaatsen. Als we namelijk Dan. 2 en 7 vergelijken met Openb. 13, 17 en 19 dan blijkt dat in deze laatste hoofdstukken sprake is van een toekomstig rijk, dat toch de voortzetting is van het Romeinse rijk van vroeger. Dan zal dit rijk voldoen aan een kenmerk dat in DaniŽl is aangegeven maar dat het oude Romeinse rijk nooit heeft vertoond. Er zullen dan namelijk tegelijk tien koningen regeren die corresponderen met de tien tenen van het beeld en met de tien hoornen van het vierde beest. Volgens Openb. 17 ontvangen deze tien macht om te regeren op een uur samen met het beest. Een dergelijk verschijnsel is in het verleden nooit op te merken geweest, welke gekunstelde pogingen men hiertoe ook heeft aangewend.
Dit bevestigt dus wat we reeds zeiden dat het vierde wereldrijk weer zichtbaar moet worden. Populair gezegd: in 473 na Chr. hield de geschiedenis van het statenbeeld op ergens bij de schenen van het beeld Ė dus in de tijdsperiode van het vierde rijk. Maar in de toekomst krijgen we de voeten te zien. Een dergelijk ďhiaatĒ in iets dat als een eenheid wordt voorgesteld is in de Schrift niet vreemd. De profetie van de 70 weken uit Dan. 9 geeft er een voorbeeld van. De 69e week is afgesloten met de verwerping van de Messias. Maar daarop is de 70ste niet gevolgd want dan zou het heil in vs. 24 aangekondigd zijn en dat is beslist niet gebeurd. Die 70ste week moet dus nog aanbreken. Een ander voorbeeld vinden we in Jes. 61:1, 2. Daar wordt in ťťn adem gesproken over het uitroepen van het aangename jaar des Heren en van de dag der wrake van onze God. Toen de Heer Jezus in Nazareth dit gedeelte voorlas, eindigde Hij na ďaangename jaar des HerenĒ en zei daarvan dat dit vervuld was. Het uitroepen van de dag der wrake wacht echter nog op de tijd dat het gericht zal aanbreken.

Het beest dat niet isÖ en zijn zal

Ten slotte wordt dit alles nog extra onderstreept door een uitdrukking in Openb. 17. daar wordt het beest aangegeven met deze bewoordingen: ďhet beest dat was, niet is en zijn zalĒ. Toen in 473 het Romeinse rijk in elkaar stortte, verdween het slechts maar ďin schijnĒ! Eenmaal zal het weer zichtbaar worden. Welnu, Johannes ziet op Patmos dit ontstaan of opkomen van het vierde wereldrijk in zijn slotfase.
Van dit beest dat uit de afgrond zal opstijgen, zegt hij: ďEn zij zullen de heilige stad vertreden 42 maandenĒ (Openb. 11:1, 2).

Deze vertreding moet dus nog plaats vinden en pas als die vertreding voorbij is, zijn de tijden van de volken beŽindigd. De bevrijding die dan plaats vindt wordt echter niet bewerkt door de slimheid en de kracht van de IsraŽliís, maar door Jezus Christus Zelf, die van de hemel zal neerdalen om zijn volk te bevrijden en de volken, die zich rondom Jeruzalem hebben vergaderd, te verslaan (Zach. 14). Dan zal ook het onbeweeglijk koninkrijk worden opgericht, ďdat niet aan een ander zal worden gegevenĒ.

Zo komen we bij het slot van deze serie, waarbij we de vraag onder ogen zullen zien wat vanaf dit ogenblik IsraŽl nog te wachten staat, nadat we ons ďstartpuntĒ juist hebben gemarkeerd.