Snel zoeken:
B1 LES 12 - Het getuigenis van Petrus en Paulus over de Schrift

In de vorige les zijn we nagegaan, hoe de Heer Jezus over de Schriften spreekt en hoe Hij ze gebruikt. Nu doen we hetzelfde wat de apostelen betreft.

01. Reeds meerdere malen is in deze lessen gewezen op de uitspraak van de apostel Petrus (2 Petrus 1: 21), dat profetie niet is voortgekomen uit ......, maar dat profeten gedreven werden door ...... Ook in zijn eerste brief spreekt Petrus over de werking van de Geest van God in de profeten, namelijk in 1 Petrus 1 vers ......

02. In het slot van dat hoofdstuk zegt de apostel, dat we niet wedergeboren zijn uit vergankelijk zaad, maar uit onvergankelijk zaad, door ...... Daarna haalde hij Jesaja 40: 6 aan en besluit met: 'Dit nu is ......'. Voor Petrus is dus het Oude Testament en de prediking die na het kruis plaatsvond, het Woord van God, dat tot in eeuwigheid blijft.

03. De apostel Petrus hoort ook tot de voorgangers, waarvan Hebreeën 13: 7 zegt, dat we hen 'in ......' te houden hebben, en 'hun ......' hebben na te volgen. Welnu, hoe heeft Petrus het Oude Testament aangehaald? Hij stelt duidelijk, dat in de dagen van ...... de lankmoedigheid van God wachtende was, hij bevestigt dat er ...... zielen door het water heen behouden werden in de ......Hij illustreert hiermee de betekenis van de ...... (1 Petrus 3: 20, 21).

04. In zijn tweede brief spreekt de apostel nogmaals over de zondvloed, namelijk in 2 Petrus 2 vers ...... Daarbij vermeldt hij de ondergang van de steden ...... en ......

05. De geschiedenis van Bileam met de ezelin is voor Petrus geen stichtelijk verhaaltje. Integendeel, hij beroept zich op deze gebeurtenis als een feit en versterkt het getuigenis van het Oude Testament met de verzekering dat het stomme lastdier sprak met ...... (2 Petrus 2:16).

06. Ook Paulus ziet de Heilige Geest als de eigenlijke auteur van de profetie. Want volgens Handelingen 28: 25 heeft hij gezegd: 'Terecht heeft de ...... door de ...... tot uw vaderen gesproken'.

07. Maar niet alleen de profetie is het Woord van God, nee, het hele Oude Testament is dat. Wat is namelijk volgens Paulus het voorrecht van de Jood? (Romeinen 3: 2) ...... Hiermee doelt de apostel zonder twijfel op alle geschriften die de Joden bezaten.

08. Of God iets rechtstreeks tot de mens zegt, of dat de Schrift het doet, maakt dan ook voor de apostel geen verschil. Zeer treffend is in dit opzicht Galaten 3: 8. We lezen daar: 'En de ......, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft ...... aan ...... het ...... verkondigd'.

09. Maar er is meer bijzonders aan deze tekst. Want bestond ten tijde van Abraham de Schrift al? ...... Toch staat hier dat de Schrift aan Abraham een blijde boodschap (of: evangelie) heeft verkondigd, terwijl in werkelijkheid ...... tot Abraham sprak: 'In u zullen alle volken gezegend worden' (vgl. Romeinen 9: 17).

10. Het omgekeerde vindt eveneens plaats: dat als de Schrift iets zegt, Paulus eenvoudig God als Spreker aanwijst. Een voorbeeld daarvan treffen we aan in Handelingen 13: 34 en 35. Op de woorden: 'heeft Hij aldus gezegd' laat Paulus een tekst volgen en wel Jesaja 55 vers ...... Wat Jesaja heeft geschreven is dus voor Paulus hetzelfde als wanneer God rechtstreeks spreekt.

11. Laten we nagaan hoe Paulus zich op het Oude Testament beroept. Opnieuw blijkt daaruit hoe volkomen betrouwbaar de Schrift is in al zijn mededelingen.
a. Te Lystra roept hij de heidenen op 'zich te bekeren tot de levende God, die de ......, de ......, de zee en al wat er in is ...... heeft: (Handelingen 14:15). Duidelijk een heenwijzing naar het scheppingsverhaal.
b. In 2 Korinthe 4: 6 vergelijkt hij het werk van God aan het hart van de zondaar, waardoor het licht in diens leven gaat schijnen, met de schepping van ...... op de ...... scheppingsdag.
c. Tegenover de heidense ideeën over de vorming van het mensdom, stelt Paulus op de Areópagus, dat God het hele mensengeslacht gevormd heeft uit ...... (Handelingen 17:26).
d. Zo zegt hij ook in 1 Korinthe 15: 45-59 dat er een eerste mens ...... geweest is. Dat alle mensen van die ene afstammen, betuigt hij met de woorden: 'Gelijk de ......'.
e. Hoe letterlijk Paulus de mededelingen aangaande de schepping van man en vrouw neemt, blijkt uit 1 Timotheüs 2:13: 'Want ......'.
f. Over de zondeval spreekt de grote apostel ook in de meest letterlijke zin: (Romeinen 5:12) '......'. En het bijzondere van die eerste zonde doet hij uitkomen in vers 14 met de woorden: 'die niet gezondigd hadden op een ......'.
g. In Romeinen 5 spreekt Paulus over Adam die als hoofd van de eerste schepping viel en stelt Christus daartegenover. Het aandeel van de vrouw komt daar niet ter sprake. Maar in 1 Timotheüs 2:14 zegt hij, dat niet ...... zich heeft laten verleiden, maar 'de ...... gevallen'.
h. Zo ook schrijft hij aan de Korinthiërs dat ...... met haar ...... Eva verleidde (2 Korinthe 11: 3).

We hebben wat het scheppingsverhaal, de mededelingen aangaande zondeval, de zondvloed, enz., betreft, dus niet met 'kunstig verdichte fabels' te doen, maar met werkelijke historische gebeurtenissen, die het betrouwbare Woord van God ons meedeelt.


Antwoorden
01. de wil van een mens; de heilige Geest; 11
02. het levende en blijvende woord van God; het woord, dat u als evangelie verkondigd is
03. gedachtenis; geloof; Noach; 8; Ark; doop
04. 5; Sodom; Gomorra
05. mensenstem
06. heilige Geest; profeet Jesaja
07. dat hun woorden Gods zijn toevertrouwd
08. Schrift; tevoren; Abraham; evangelie
09. nee; God
10. 3
11. a. hemel; aarde; gemaakt
b. licht; eerste
c. één enkele
d. Adam; stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken
e. eerst is Adam geformeerd, daarna Eva
f. ...gelijk door één mens de zonde in de wereld gekomen; gelijke wijze als Adam overtrad
g. Adam; vrouw is door de verleiding in overtreding
h. de slang; sluwheid