Snel zoeken:
612 jrg.125, blz. 20 1982 doodstraf

Genesis 9:6

Vraag:

Moeten de regeringen de doodstraf toepassen op werkelijke echte misdadigers,vooral dan moordenaars of moeten ze de moordenaars als ze zich bekeren genadig zijn en handelen naar het voorbeeld vanGod in Christus Jezus?
J. V. te. V.

Antwoord:
De grond voor de doodstraf vinden we in het bevel van Gen. 9:6 "Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt".
In de wetgeving op de SinŠÔ heeft God dit voor IsraŽl herhaald. Daarbij werd zelfs bepaald dat iemand die een ander per ongeluk doodde door een bloedwreker gedood mocht worden. Er waren echter vrijsteden waarheen zo'n doodslager vluchten kon en waar hij veilig was.

In het Nieuwe Testament vinden we uitspraken, die het recht bevestigen of beter de plicht bevestigen van de overheid om een moordenaar e.d. te doden. Paulus schrijft aan de gelovigen te Rome, dat de overheid het zwaard niet tevergeefs draagt. En voor Festus getuigt hij: "Als ik dan ietsverkeerds en des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven" (Hand. 25:11). De reden voor de doodstraf op een doodslag is niet het feit, dat men de naaste geweld heeft aangedaan, maar dat men een schepsel van God en wel een schepsel dat zijn beelddrager is, gedood heeft (vergelijk Jak. 3:9). De tegenstanders van de doodstraf houden met dit laatste meestal geen rekening. Met het bovenstaande hebben we de kwestie van het recht of de plicht van de overheid om de doodstraf toe te passen principiŽel en globaal naar voren gebracht. Of de overheid de doodstraf altijd moet toepassen is een andere zaak.
De vraagsteller verwijst naar het voorbeeld van God en zal bedoelen dat God zondaars (en daar zijn toch ook moordenaars onder) genadig is in Christus Jezus. Dit voorbeeld gaat echter niet helemaal op. God kan zondaars die de eeuwige dood verdiend hebben in zijn genade redden en het eeuwig leven geven omdat Christus het oordeel van God op het kruis heeft ondergaan. De doodstraf heeft echter te maken met de regering van God op aarde. God heeft de misdadiger op het kruis die tot bekering kwam genade bewezen. Wat de eeuwigheid betreft was deze man behouden, het eeuwige leven werd zijn deel. Maar God verhinderde niet dat de doodstraf ten volle op hem werd toegepast. Een voorbeeld dat dit laatste wel gebeurde vinden we bij David, die Uria heeft laten doden. De doodstraf die David rechtvaardig had verdiend werk van hem afgewend.
Dit laatste voorbeeld geeft steun aan de gedachte, dat de overheid met bepaalde omstandigheden rekening mag houden en niet altijd de doodstraf hoeft toe te passen. Daarbij hoeft niet altijd gedacht te worden aan een bekering tot God, maar aan een diep berouw over de daad die men begaan heeft, waarbij verzachtende omstandigheden die de persoon tot de daad gebracht hebben een rol kunnen spelen. Het feit dat iemand tot bekering komt na zo'n misdaad kan er juist toe leiden, dat hij geen gratie zal vragen of aannemen.
Het is bekend, dat na de oorlog een van de oorlogmisdadigers die in Nederland tot de doodstraf veroordeeld was tot bekering kwam. Men heeft hem gevraagd of hij een verzoek tot gratie wilde indienen. Hij weigerde dat echter met de woorden: "Ik heb de dood verdiend", en hij is ook inderdaad
terechtgesteld.