Snel zoeken:
Hoe is het te verklaren, dat na de opname van de gemeente de Joden zich nog wel kunnen bekeren en 'naamchristenen' die achterblijven niet?

2-Thessalonicenzen 2:9
Betreft: 2 Th 2: 9-12 (2)

Vraag:
Hoe is het te verklaren, dat na de opname van de gemeente de Joden zich nog wel kunnen bekeren en 'naamchristenen' die achterblijven niet?

Antwoord:
In deze tijd bezoekt God op bijzondere wijze de volken met het evangelie. Door de val van IsraŽl is het heil tot de volken gekomen (Rm 11: 11).
Van dat heil zijn de Joden nu niet uitgesloten er zijn er namelijk die tot bekering komen en bij de gemeente gevoegd worden. Als volk echter is er een deksel op hun aangezicht en zijn zij in deze tijd verhard geworden (Rm 11: 25).
De bijbel zegt echter duidelijk, dat als de volken niet in het geloof blijven zij afgekapt zullen worden zoals nu de Joden afgekapt zijn van de wortel (lees Rm 11: 165-24).
Welnu de volken (christenvolken) zijn niet bij de goedertierenheid van God gebleven en zij worden eenmaal terzijde gesteld nadat de ware gemeente opgenomen is. Daarentegen zullen de Joden niet altijd verhard blijven. De (gedeeltelijke) verharding duurt blijkens Rm 11: 25 totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan.
Nu is er dus verharding over IsraŽl en is er een volheid van genade voor de christenheid. Straks ontvangen zij uit de christenheid die het heil verworpen hebben op hun beurt een verharding door de werking van de dwaling waarover 2 Th 2: 11,12 spreekt.
Op de vraag waarom IsraŽl deze kans tot bekering krijgt geeft Rm 11: 28 antwoord, namelijk omdat ze geliefden zijn om der vaderen wil. In die weg zal God ook alle beloften in het O.T. aan IsraŽl gegeven inlossen, want Hij is de Getrouwe.
Onder alle naties blijft IsraŽl een bijzondere plaats innemen. Dat blijkt b.v. hieruit dat wij heidenen 'wilde' takken genoemd worden, maar de IsraŽlieten 'natuurlijke' takken die weer geŽnt worden op hun 'eigen' olijfboom (Rm 11: 24).